De revolutionaire kracht van kunst

We herdenken dit jaar niet alleen de Russische Revolutie die, geholpen door kunstenaars en vormgevers, het begin moest vormen van een wereldrevolutie. Het is ook 100 jaar geleden dat Marcel Duchamp het werk ‘Fountain’ tentoonstelde, een gesigneerd urinoir. Een kunstwerk dat een revolutie in het denken over de waarde en betekenis van kunst teweegbracht.

Het lijken de twee uitersten van het spectrum waartussen kunst zich nog steeds beweegt. Enerzijds het idee dat door het mobiliseren van kunst voor of tegen een ideaal of moraal gestreden kan worden. Het uitgangspunt voor een hedendaagse kunstenaarsbeweging als Hands Off Our Revolution die kunst wil inzetten in de strijd tegen het opkomend rechts populisme. En anderzijds het idee van de autonomie van het reflectieve kunstwerk dat in dit geval alleen betekenis heeft voor wie op de hoogte is van de (moderne) kunstgeschiedenis.

Literair criticus Arnold Heumakers beschrijft in zijn als boek uitgegeven dissertatie ‘De Esthetische Revolutie’ (2015) precies hoe deze bandbreedte ontstond tijdens de Romantiek en Verlichting. Hij laat zien hoe het revolutionaire concept van kunst als autonome kracht, en de herkenning van schoonheid als een apart geestelijk vermogen, postvatte. En hoe dat revolutionaire concept van de esthetische autonomie sindsdien ons denken over kunst en kunstenaar bepaalt. “De esthetische revolutie verkreeg een dubbel aspect. Ten eerste in de verabsolutering van de kunst, bekender als l’art pour l’art. Ten tweede in de totalisering van de kunst, in het verlangen om via de kunst een nieuwe wereldorde te scheppen, een Umwertung aller Werte, niet minder ingrijpend dan de Franse revolutie.” ‘Kunst om de kunst’ of ‘de verbeelding aan de macht’ dus. De rode draad: de kunstenaar als iemand waar tegen op te kijken valt. Iemand die ‘hogere’ waarden stelt tegenover een wereld waar van alles op aan te merken is.

In Nederland ligt de laatste jaren de nadruk op de maatschappelijke impact van de kunsten. Je zou denken: een prima hedendaagse invulling van bovenstaand idee over de kunstenaar. Maar in dagblad Trouw konden we recent lezen dat dit voor kunst op de lange termijn wel eens een heel gevaarlijke positie zou kunnen zijn, zo betoogt Tiffany Jenkins, Britse cultuurcritica en BBC-presentatrice. “Zodra de kunsten worden ingezet om iets te doen wat niet uniek is aan de kunsten, worden ze vervangbaar. Ik geef u een voorbeeld. We horen al jaren dat kunst goed is voor onze gezondheid, dat musea misschien wel net zo belangrijk zijn als ziekenhuizen. Het klinkt fantastisch en als er geld is voor projecten om kunst te brengen naar wijken en gebouwen waar mensen niet zo gezond zijn, kan het allemaal. Maar zodra er bezuinigingen komen en je moet kiezen tussen kunst en een ziekenhuis, dan legt het museum het af. Probleem is dat je dan al te laat bent om nog te zeggen dat kunst eigenlijk bijdraagt aan schoonheid en waarheid. Immers, dát argument hebben we allang niet meer gehoord. Wanneer we stoppen om het op te nemen voor de kunsten vanwege wat ze écht doen, waarom ze waarde hebben en onvervangbaar zijn, dan worden de kunsten irrelevant.”

Kunst; niet functioneel maar mooi en waar…. iets om over te na te denken. Schrijver en filosoof Albert Camus (1913 – 1960) zou zich niet zo’n zorgen maken: ‘Kunst is niet groot omdat ze revolutionair is, maar revolutionair omdat ze groot is’, schreef hij. Kunst kan volgens hem een alternatieve wereld laten zien, een wereld waarin alles (radicaal) anders is. Haar revolutionaire kracht: de ultieme, geweldloze opstand, zoals geen enkel ander medium dat kan.

ArtEZ studium generale is benieuwd hoe daar door ArtEZ studenten over wordt gedacht.