APR
thu

22

MAY
wed

12

dossier LAND

Wanneer taal poëzie wordt, komen we dichter bij de werkelijkheid

in gesprek met Jasper Griepink

Author: Lieneke Hulshof – 09 December 2020

De temperatuur op de Noordpool was nog nooit zo hoog als afgelopen zomer. Ieder jaar worden de bosbranden groter, het orkaanseizoen heftiger en de weilanden in Oost-Nederland droger. Wetenschappers waarschuwen dat een ineenstorting van onze beschaving nabij is, maar in hoeverre kun je van een beschaving spreken als we niet in staat zijn iets aan klimaatafbraak te doen, het zelfs laten verergeren?

ArtEZ studium generale ontwikkelde in september het project LAND samen met Mister Motley. Nu steeds duidelijker wordt dat het kapitalistische systeem en de mensen met macht niet de verantwoordelijkheid nemen voor de consequenties van de klimaatafbraak, moeten we voorbij het dominante westerse perspectief kijken naar de relatie tussen land, natuur en eigendom.
Jasper Griepink is een kunstenaar die al meer dan tien jaar bezig is met de relatie tussen natuur, spiritualisme en eigendom. Griepink heeft een diepe interesse in indigenous knowledge, maar hoe gaat hen met die kennis om als witte, westerse kunstenaar? En kun je überhaupt verschil maken in het klimaatvraagstuk door middel van kunst? Lieneke Hulshof (hoofdredacteur Mister Motley) sprak Jasper via Skype op een veel te warme donderdag in november.

In het project LAND spreken we steeds over de relatie tussen eigendom van land en klimaatafbraak. Leg jij ook een relatie tussen deze twee begrippen in je werk en denken of liggen ze voor jou ver uit elkaar?

“Klimaatafbraak heeft enorm veel te maken met ideeën over eigendom. In het algemeen is de afbreuk van de natuurlijke omgeving en ook de afbreuk van traditionele gemeenschappen die met de natuur samenleven een effect van een westers gecultiveerde zienswijze. Kort gezegd zien westerse mensen de omgeving als objecten of voorwerpen en niet als medebewoners. En eigendom is daar een enorm sterk voorbeeld van.

Ik refereer graag naar het boek Lo-TEK van Julia Watson. Zij is een landschapsarchitecte uit Australië die op Harvard heeft gestudeerd. Het boek is dit jaar verschenen en gaat over TEK-design methodes. TEK staat voor Traditional Ecological Knowledge. Dit boek is eigenlijk een soort bundeling van allemaal traditionele landbouw-, watermanagement- en natuurgebied methodes die echt al duizenden jaren bestaan en zorgen voor een balans tussen voedsel, water en ruimte voor dieren. Het boek helpt met het radicaal omdenken van onze relaties met natuurlijke ‘materialen’ en energiestromen. In de serie beschrijvingen komt het bewustzijn dat de natuur zelf leeft en een bestaansrecht heeft sterk naar voren. Over het algemeen is het westerse idee van succes gestoeld op exploitatie winst en productie, niet op balans of wederkerigheid. Watson geeft in Lo-TEK het voorbeeld van de hoogvlaktes in de Andes waar mensen op akkers al duizenden jaren samenwerken met vissen die in de sloten leven. Ze scheppen het sediment uit de sloten op de akkers voor de vruchtbaarheid van de grond. Dat werkte optimaal totdat de kolonisatieprocessen begonnen en een akker in de Andes ineens moest lijken op een akker zoals die er in Europa uitziet. Wanneer je dat soort micro landmanagementmethodes kapotmaakt heeft dat natuurlijk ook op klimatologische schaal een effect.”
Julia Watson - LO-TEK
In die relatie tussen klimaatafbraak en de verdeling van land (en macht) ligt ook een belangrijke rol voor taal. Hoe we dingen noemen heeft effect op hoe we dingen zien. Ik weet dat jij daar ook veel ideeën over hebt, kun je daar iets meer over vertellen?

“Nederlands en Engels zijn talen over bezit, handel, afspraken en definities. Het zijn geen talen die de wereld animeren of activeren met bestaansrecht. In deze talen omschrijven we de natuur veelal onzijdig en onpersoonlijk. En dat heeft effect op het idee van de superioriteit van de mens over de omgeving. Hoogleraar Milieu- en bosbiologie en botanist Robin Wall Kimmerer (1953, New York) schrijft in haar adembenemende boek Braiding Sweetgrass onder andere over inheemse talen en hoe die verschillen met westerse talen. Ze geeft het voorbeeld dat westerse mensen een boom niet met ‘hij’ of ‘zij’ aanspreken maar met onzijdige voornaamwoorden die bij door mens gemaakte voorwerpen passen. Doormiddel van ons taalgebruik bepalen wij of iets leeft en of het gezien wordt als gelijke partner. We doen dit automatisch. Iets bestaat als het een naam heeft. Natuurlijk ‘weten’ we dat een boom leeft, maar we spreken niet over bomen zoals over medemensen in de taal die we allemaal op school moeten leren. Via haar grootvader is Kimmerer lid is van de Citizen Potawatomi Nation, een Noord-Amerikaanse imheemse gemeenschap in het huidige Oklahoma. In haar grootvaders taal bestaat er niet alleen ‘hij’ en ‘zij’ als optie, dus de voornaamwoorden voor de natuur zijn niet automatisch onpersoonlijk. Het verschil tussen levende en ‘dode’ dingen is heel anders dan bij ons. Sterker nog, bijna alles wordt aangesproken met een levende persoonsvorm zoals wij dat doen met medemensen. Deze ‘Grammar of Animacy’ zoals Kimmener het noemt, zorgt ervoor dat in iedere zin duidelijk wordtgemaakt dat vuur, bomen, rivieren, de wind, vogels, maar ook bijvoorbeeld mos allemaal net zo echt zijn als onze broers en zussen. Deze manier van zien is voor mij vanaf kinds af aan al volkomen logisch geweest en de laatste jaren ook steeds noodzakelijker.

Ik zie taal hierin als de sleutel en de drager van hoe we naar het leven kijken. Natuurlijk praten wij over problemen en situaties waar aandacht naartoe moet gaan, maar we vergeten vaak dat de taal waarmee we dat doen beperkt en bepalend is.

Zoals ik al zei gaan het Nederlands en Engels over bezit en eigendom. Iets bestaat pas als het een naam heeft, zonder naam ‘bestaat’ het niet. Dus als wij in het Nederlands zeggen; "daar is een boom”, dan zien we een soort stam voor ons, met takken en bladeren. Maar we zien haar feromonen niet, of wie er soms onder haar zit. Maar die boom bestaat helemaal niet als object, want ze is in werkelijkheid een ecosysteem dat samenwerkt met de omgeving en bepaalde effecten produceert zoals de gewassen, medicijnen en vloeistoffen die uit zo'n boom komen. Dit gegeven is heel erg evident in een heleboel oorspongskosmologieën van verschillende indigenous bevolkingen op aarde, maar in het Nederlands blijft het gewoon ‘een boom.’”
Jasper Griepink, Enter the Grove, IMPAKT Utrecht, 2020. Fotografie_Pieter Kers
In 2016 ben jij in Guatemala geweest om daar Permacultuur en Natuurlijke Bouwmethodes te leren. Kun je uitleggen waarom die interesse in permacultuur voor jou ook als kunstenaar belangrijk is?

“Ik heb permacultuur gestudeerd bij IMAP aan het Atitlan meer in Guatemala, dat is een non-profit permacultuur instituut dat door een groep lokale mensen is opgezet die zich zorgen maken over de ernstige ecologische, sociale en culturele problemen die de natie treffen. Permacultuur is simpel gezegd een landschap- en tuinbouwmethode bestaande uit 12 principes en drie ethische kaders. De permacultuurprincipes zijn naast hun toepassing op land en gewassen en ecologische systemen toepasbaar op sociaal vlak. Dit heeft mij als kunstenaar altijd enorm geïnspireerd.
Zoals het idee dat er geen outside of the system bestaat; dat alles en iedereen meetelt en meedoet. Bij permacultuur wordt alles terug in het systeem gestopt. Ook is er een wijsheid over de marges: dat alles wat groeit op kruisingen en de randen van systemen het meest toevoegen aan het totale stelsel. Planten die de grenzen aankunnen doen veel herstelwerkzaamheden in de bodem van het land. Ik vind dat dit ook op sociaal gebied zo is; mensen met intersectionele, gemarginaliseerde perspectieven zijn van onschatbare waarde voor onze samenleving.

In Guatemala kreeg ik te zien wat er gebeurt wanneer mensen verboden worden om op traditionele wijze met hun land om te gaan. Als je een oase aan flora plat hakt om daar vervolgens het hele jaar door koffie te verbouwen, dan droogt natuurlijk de aarde op; het verzuurt. Daar kun je op een gegeven moment niks meer mee. En natuurlijk heeft dit effect op de mensen die er wonen, want die hebben alleen nog maar koffie te verkopen en kunnen daar niet eens van eten. En de prijs van koffie keldert natuurlijk als iedereen het aanbiedt.

Dit is allemaal ontstaan door de neokoloniale nasleep aan onderdrukking via megaconcerns zoals Coca Cola en BAYER-Monstanto die o.a. het verbouwen van lokale gewassen verbieden. Het bewaren en doorgeven van zaadjes wordt in veel gevallen zelfs bestraft. Voor mij werd toen duidelijk dat het bewerkstelligen van een gezonde en natuurlijke aarde, een politiek activistische daad is. In Guatemala zijn er verschillende permacultuurprojecten die door mensen met een westerse achtergrond worden georganiseerd, maar ook zijn er veel projecten die door mensen met een lokale achtergrond worden georganiseerd. Als cursist heb ik ervaren hoe de weerbaarheid van families en co-operaties wordt verhoogd door permacultuur. Het was voor mij echt supertreffend om dat te zien; ik stond letterlijk in een berggebied waar alles rood en dor was door de koffie die er werd verbouwd, maar de plekken waar mensen – wonder boven wonder – in staat waren om dat juk van Monsanto van zich af te werpen, daar was het gewoon groen en paradijselijk.

Er zit echter een grote paradox in permacultuur. Op papier is permacultuur ‘uitgevonden’ door twee witte mannen in Australië in de jaren ’60, maar het is echter een bundeling van ideeën en methodes die al veel langer bestaan. Door sommige mensen wordt het gezien als een appropriatie van indigenous wisdom, een diefstal van kennis en cultureel eigendom. Het wordt gezien als een neokoloniaal systeem waarin vaak westerse mensen in de voormalige ‘derde wereld’ hun groene eco-paradijs willen realiseren. Ik vind het dan ook belangrijk dat men weet dat het principe permacultuur afkomstig is uit indigenous local knowledge en ik zou willen dat er per project gekeken wordt of het neokoloniaal is of niet. Door bijvoorbeeld te kijken wie de voordelen geniet. Aan de andere kant –net als met dat Lo-TEK boek van Julia Watson– draagt de vertaling van inheemse kennis in westerse vorm bij aan het populairder worden van het opnieuw in contact komen met de aarde en het toepassen van duurzame systemen. Ik vind het dan ook lastig om ideeën die bijdragen aan de gezondheid van de aarde en de lokale verbondenheid met de natuurlijke systemen te zien als iets dat enkel neo-koloniaal is omdat het westerse mensen zijn die zo’n project initiëren. Wanneer het echter enkel een White Utopia wordt, ja, dan gaat er iets mis.“

Terugkomend op mijn vraag, hoe komt jouw kennis over permacultuur terecht in de theoretische basis van je kunstpraktijk?

“In mijn praktijk wil ik mijn blik naar de aarde richten, naar onszelf als natuur, naar de traditionele indigenous zienswijze van de natuur, en hier vanuit dingen scheppen of inspireren die voor veel mensen van betekenis kunnen zijn. Als kind had ik al het gevoel dat er ooit een andere tijd moet zijn geweest dan het hooggedreven economische, westerse denken. En nu merk ik steeds vaker dat wat ik denk en voel over mens en natuur erg parallel loopt aan hoe veel indigenous zienswijzen denken of voelen of de wereld zien. Er lijkt een taal te zijn die overeen komt tussen verschillende groepen mensen wereldwijd als het gaat om het ecocentrisch denken. Het gaat om een denken en/of zien waarin de mens niet in het centrum staat, maar waarin we verwant zijn aan en met de natuur. Belangrijk om te vermelden is dat natuurlijk niet alle inheemse groepen hetzelfde zijn of denken. Het is net als in een gezonde ecologie eerder een samenspel tussen duizenden specifieke en verschillende lokale verhalen, methodes, mythes, oorsprongsverhalen die samenvallen in eenzelfde richting. Chihiro Geuzenbroek zei het heel erg mooi tijdens een panel over de Whole Earth Revision tijdens het IMPAKT Festival dit jaar. Ze zei dat wat indigenous mensen gemeen hebben, het gegeven is dat ze niet geloven dat het land van hen is, maar dat ze van het land zijn. Ik vind dit heel treffend.”
Jasper Griepink, DEEPSOILx STONEORGY, MU Eindhoven, 2020. Fotografie_Hanneke Wetzer.
“The one thing about indigenous people is that, they don’t think the land is theirs, but that they belong to the land. When we speak about indigeneity, we speak about listening to the land, listening to nature. The wisdom and knowledge that comes from these cultures is based on listening to the country, to the place, to the land. By burning libraries, forbidding to speak their language and dance even, these wisdoms are erased.”

Chihiro Geuzenbroek

Je hebt het over een taal waarin de mens niet meer het middelpunt is. Heb je het dan altijd over gesproken taal? Of kan die taal die je wereldwijd opmerkt ook zitten in handelingen?

“Ja, dat hoeft zeker niet gesproken of geschreven taal te zijn. Dat zie je bijvoorbeeld in het voorwoord van het boek Braiding Sweetgrass van Kimmener. Ze geeft hierin antwoord op de vraag waarom de bewoners van Turtle Island1 het gras wiingaashk vlechten. Enerzijds is het voor hen natuurlijk handig om het gras dat gebruikt wordt in ceremoniën zo te kunnen bundelen, maar ze vlechten het ook omdat wiingaashk het haar is van Moeder Aarde. Door het vlechten van het haar herinneren ze zich: “o ja, we vlechten het haar van onze moeder, want de aarde is onze moeder.” Dit soort handelingen zie ik ook als een taal.

De perspectiefverspringing kun je dus op heel veel manieren interpreteren. In het besef dat de natuur leeft en niet een object is, tot aan het realiseren dat je een boom of een natuurgebied ook kan vragen om hun mening, in een politieke stemming, bijvoorbeeld. Dit is voor mensen uit het Westen bijna ondenkbaar. Sci-fi is een uitstekende vorm om verhalen en realiteiten en gesprekken te voeren waar de hedendaagse politiek nog niet klaar voor is. Ik geloof dat veel van dit soort verhalen overigens uiteindelijk ook daadwerkelijk realiteit worden, vandaar dat we heel bewust moeten zijn over de verhalen die we samen vertellen en delen.

De Amerikaanse permacultuur-feminist Starhawk schrijft bijvoorbeeld in haar boek The Fifth Sacred Thing over een soort politieke post-apocalyps in de nabije toekomst in Californië. In haar utopie krijgen de bomen, vissen, wolken, de regen en de zee allemaal een stem bij politieke beslissingen. Ze beschrijft het als een politiek embodyment theater waar mensen zeggen: "We hebben meer vis nodig", waarop een groep die vissen of de oceaan vertegenwoordigd zegt: "Hello, we are the fish speaking, and you're taking from us. Please take from us only in March, and only upstream” Dat vind ik heel interessant, om erover na te denken de natuur een plek te geven in onze politieke beslissingen. Ik geloof dat dit in indigenous community veel meer bestond en bestaat. Er werd veel meer overlegd met het niet-menselijke.”

In de taal die een handeling wordt, of in jouw geval zelfs een politieke filosofie, lijkt een link met kunst te liggen. Zijn er voorbeelden in je kunstenaarspraktijk waar dit onderzoek en je gedachten erover terugkomen in je werk?

“In mijn werk koppel ik veel theorieën en ervaringen aan elkaar. Ik ben iemand die heel graag denkt, analyseert, leest en dingen met elkaar kruist. Maar toch zijn de mooiste momenten in mijn leven en in mijn kunst die momenten waar de handeling of de vorm eigenlijk over die taal heen sublimeert.

In 2014 en '15 heb ik bij Roodkapje en bij Kunsthuis SYB een zweethut getoond. Een soort sauna waarin mensen zelf konden zweten en badderen. En wat zo bijzonder was, was dat mensen dan aankwamen bij Roodkapje en daar dus een zweethuis zagen met naakte mensen die aan het kletsen waren en die zichzelf af en toe gingen afkoelen. De nieuwe bezoekers zeiden dan: "wauw, dit is echt ongelooflijk, wat is dit voor plek? Is dit een gemeenschap, of hoe kom je aan die mensen?" Vervolgens gaan diezelfde mensen na verloop van tijd ook binnen zitten, er gaat een T-shirt uit en na een halfuur zijn het dus blote mensen in een zweethuis. Ze gaan zich buiten even af koelen, waar ze door nieuwe bezoekers worden gezien: "wauw, wie zijn die mensen? Hoe komen die hier?" In iets dat aanvankelijk buiten jou lijkt te liggen word je ineens zelf onderdeel. Ik geef het creëren van het werk vaak terug aan de kijker, aan de bezoeker.

Een recent voorbeeld is het verhaal D E E P S O I L dat ik dit jaar in MU, Eindhoven en bij het IMPAKT Festival in Utrecht heb opgevoerd. Het eco-mystieke verhaal D E E P S O I L (2020) is geïnspireerd op de slash-and-burnagricultuur van de Kayapó in Brazilië zoals het wordt beschreven in het eerder genoemde boek Lo-TEK. Het verhaal vertelt over een ondergrondse laag aarde en mineralen en nutriënten waarvan wordt geloofd dat ze bewustzijn hebben. Het verhaal is nooit afgemaakt in geschreven vorm en komt juist live met de bezoekers tot leven. Zo zingen en dansen ze bijvoorbeeld mee met het mini muziekalbum S T O N E O R G Y, dat ik in 2019 heb opgenomen met o.a. musicante Giek_1. Er is een moment in de performance waarin de verhalen verteller, ik dus, wakker wordt en beseft dat hij het verhaal stom vindt. Hij stopt de performance. Het gaat op dat moment namelijk over een man die de wereld moet redden van een industriële familie. “Weer zo'n verhaal waar een man de wereld komt redden?” zeg ik, “Hoe kan dat nou? Kan het ook anders?” Vervolgens verandert de gehele vertelling in een soort poëtisch slotstuk waarin ik werkelijk een nieuwe wereld schep.
Jasper Griepink, DEEPSOILx STONEORGY, MU Eindhoven, 2020. Fotografie_Hanneke Wetzer.
"It’s a place, before dirt was dirty
When we still spoke to the landscape”

Tekst van het nummer DIRT van album STONEORGY

En dat is iets dat ik de laatste tijd heel erg merk: wanneer taal poëzie wordt, dan komen we eigenlijk dichter bij de werkelijkheid. Als je bijvoorbeeld wil zeggen: “we moeten ons met de natuur verbinden.” Dan denken mensen echt: “ja, dat zeg je nou wel, maar ik voel 'm gewoon niet. Ik loop al genoeg in het bos.” Maar als je dan bijvoorbeeld een poëtische tekst schrijft, ineens gaat er dan een soort luikje open en voelen mensen wel: “o verrek, ik ben wel verliefd op de zee. Ik houd van de zee en ik heb mijn hele leven al een relatie met de zee.”

Je hebt het veel over indigenous of inheemse kennis. In het huidige gesprek in het Westen doen we altijd heel erg of die kennis altijd buiten de westerse mens ligt, dat het ‘kennis van anderen’ is die wij ‘interessant’ vinden. Maar moeten westerse mensen soms niet ook meer kijken naar zichzelf en naar letterlijke de Nederlandse grond waar ze op lopen? Vooral als wit persoon, dat je niet steeds enkel verwijst naar kennis die geen onderdeel is van jouw eigen culturele achtergrond en je dus waakt voor appropriatie? Ik bedoel, in Nederland is er toch ook kennis geweest van bijvoorbeeld vóór de christelijke traditie over hoe we met onze aarde omgaan?

“Ik ben met dat vraagstuk heel erg bezig, maar het is ook glad ijs waar je je dan op beweegt. Ik stel mijzelf vaak de vraag of mijn interesse en passie voor inheemse kennis en traditionele spirituele kosmologieeen onderdeel zijn van mijn koloniale achtergrond? Ja, dat is heel erg deel van mijn koloniale achtergrond. Maar tegelijkertijd is er een soort contrabeweging, dat las ik ook in het essay van Fiep van Bodegom op jullie site waarin ze schrijft: "De natuur heeft geen intentie". En toen dacht ik: ja, maar dat is ook koloniaal gedachtegoed, want er zijn genoeg mensen op aarde die zeggen dat dat wel zo is, die wel zeggen dat de natuur een intentie heeft, of in ieder geval een bewustzijn heeft of een levensvorm is die net zo goed meedoet als wij en zelf verlangens en gevoel heeft. Dus waar ligt dan het dekolonisatieproces? Toch ook in het dekoloniseren van onze taal en denkkaders waardoor wij niet meer kunnen geloven dat de natuur bezield is?

En daar zit een heel bizarre soort clash in. Kan ik passievol en geïnteresseerd zijn over inheemse kennis en overdracht, of ben ik dan een romanticus of een apropriator? Hoe pak je dit op een goede manier aan als kunstenaar?

En daarover kan ik zeggen dat ik in mijn werk van vóór 2016, best wel veel aan het appropriëren was, omdat ik letterlijk levensvoeding kreeg door verhalen van andere plekken en daar ook veelvuldig naartoe reisde. Maar ik ontdekte natuurlijk niks; ik ging naar een plek die er al was. Dit is precies een voorbeeld waarin onze taal zó goed is in het uitwissen van de waarheid van de onderdrukten. Ik ben nu veel bewuster van de keuzes die ik maak en ik laat vaker dingen over aan anderen met meer kennis. En toch is mijn persoonlijke inspiratie nog steeds heel erg geënt op de niet-westerse of voor-kapitalistische kennis.

Kennis die leeft onder indigenous groeperingen en die aan ons overgeleverd wordt via antropologen, via vertegenwoordigers van die groepen zelf, en dus ook door zo iemand als Kimmerer, die in een kostbare verbinding staat tussen de westerse en inheemse werelden. En dat is met permacultuur natuurlijk ook eenzelfde twistpunt: is het appropriatie, want het zijn voornamelijk westerse mensen die ineens een idee hebben over hoe we landbouw moeten doen, of is het een herleving en doorgeefluik van inheemse duurzame technologieën die superhard doorgegeven moeten blijven worden, want anders is het einde gewoon echt zoek?

Ik zoek dus naar een vorm die ondanks het bewust worden van mijn eigen koloniale denken en handelen er niet voor zorgt dat de baby met het badwater wordt weggegooid. Daarom is je vraag interessant, want ik ben inderdaad veel bezig met het traceren van een soort lokaal, eco-spiritueel gedachtengoed. Ik geloof dat wij ook indigenous roots hebben wanneer we ver genoeg terug gaan. Het is interessant om te onderzoeken wat het woord indigenity eigenlijk betekend of betrekt, namelijk bij het land horen of van het land zijn. Dat we naar het land kunnen luisteren. Dat zie ik terugkomen in veel dingen die wij als heidens of paganistisch beschrijven. Maar tegelijkertijd kan die retoriek dat we allemaal indigenous roots hebben er ook voor zorgen dat je je eigen koloniale en witte achtergrond compleet overslaat.”

Waar heb je het precies over als je zegt dat we allemaal indigenous roots hebben en hoe zijn die verdwenen?

“Het is zo dat er voorafgaand aan de overzeese onderdrukking óók in Europa een imperialistisch proces heeft plaatsgevonden. Nu is het een relatief homogene lap aan natiestaten geworden, maar ooit waren er een heleboel meer lokale volken, talen, tradities en gebruiken. Ook een heleboel meer streekwijsheden, agricultuurwijsheden, kruidenmedicijnen, vroedvrouwen. Grote groepen mensen zijn zo’n 600 jaar lang o.a. als heksen of ketters verbrand of anderzijds vervolgt. Dat is een behoorlijke ontworteling. Onlangs vertelde Silvia Frederici tijdens haar lezing bij Wxtchcraft (De Studium Generale van de KABK) dat de heksenvervolgingen vooral gericht waren op het onteigenen van autonoom land om daar commerciële activiteiten op te kunnen laten plaatsvinden. Ook mochten vrouwen niet assertief of autonoom zijn. Het land en de vrouw werden steeds meer verbannen van de krachten die geschiedenis zouden schrijven. Natuurlijk werden er ook veel queer mensen gedood. De inquisitie besloot in 1449 dat er ook mensen vervolgd moesten worden vanwege hun ‘ras’. Kortom: alles wat wij met onze koloniale moordlust hebben aangericht lijkt ergens in onze eigen ontstaansgeschiedenis te zijn ingevlochten.”
479995019
Jasper Griepink, Trans Neolithic Future, tekening serie, 2019-2020
Ik ben benieuwd hoe deze ‘voor-christelijke en voor-imperialistische kennis’ vervolgens vorm krijgt in jouw praktijk? Wat doe je daarmee als kunstenaar?

“Om terug te keren naar die verloren land-kenners en natuur-geleerdheid ben ik vanaf 2016 veel bezig geweest met de notie van de Druïdes in mijn werk. Eigenlijk zijn dat de poëten, dichters, filosofen, astronomen en chirurgen uit het Europese bos. Mensen die op plekken samenkwamen om op een orale manier kennis te verdelen. Dit gebeurde vaak door gedichten met bepaalde stanza’s die informatie bevatten die werd doorgegeven van generatie op generatie. Voor mij is de Druïde is een stijlmotief. Ik ben het tegengekomen in m'n jeugd, in computerspelletjes, in Asterix en Obelix strips en zelfs in geschiedenisboeken waarin het figuur soms werd beschreven als een onduidelijke tovenaar in het bos. Het heeft me altijd heel erg gefascineerd om aan die inheemse personage meer vorm te geven. Er zitten echter ook problemen rondom de overlevering van de druïdes, want we hebben niet zoveel bronnen over. Maar toch is er via Welshe, Ierse en Keltische overlevering nog veel te achterhalen; onder andere dat er geloofd werd in reïncarnatie. De kleur zwart was een kleur van vruchtbaarheid. De winter en de dood waren niet zo eng als dat het in de christelijke tijd werd. Leven en dood was een samenspel. De godinnen waren vaak vrouwelijk en verbonden met belangrijke plekken in de natuur.

Toch zijn de meningen gespleten over de indigenous roots van Europeanen. Er zijn mensen die herinneren dat wij niet alleen westerse kolonisators zijn geweest, maar dat zijn dan vaak mensen die dat stuk helemaal niet willen zien. En er zijn mensen die heel duidelijk weten: ja, ik ben een witte kolonisator – maar die hebben dan geen verbinding met het gegeven dat er daarvoor of daarin of daaronder ook weer indigenous roots liggen. Ik vraag mezelf dan ook af vanaf wanneer je je eigen geschiedenis betrekt als je voorouderlijke bron? Kan het een met het ander tot een resolutie of perspectiefverspringing komen?”
Jasper Griepink, Digital Druid, digitale collage, 2020.
En wat is volgens jou de kern van die perspectiefverspringing ?

“Voor mij zit het grote verschil in de westerse en voor-westerse kennis het wel of niet meer zien van de natuur als samenleefpartner. Dat is een van de grootste verschillen. En door die ontworteling is er heel veel ruimte ontstaan voor een heleboel shit. Het wil natuurlijk niet zeggen dat voor-westerse mensen helemaal geen agressie hebben, maar het zou wel helpen als wij de hele tijd terug blijven ankeren in het bewustzijn dat die natuur niet een soort theaterdoek is dat wel naar links of rechts uitwijkt omdat wij iets op een bepaalde manier doen. Er zit namelijk ook een feedbackloop in: hoe meer de natuur eigenlijk verzuurt, hoe meer wij dat ook worden.

“So in the Land, so in the body
So in the Body, so in the Land”

Tekst van D E E P S O I L, uit de voorstelling Enter the Grove, Jasper Griepink, 2020

Ik hoop dat wanneer wij in het Westen geïnteresseerd raken in onze eigen historische verbinding met de natuur, doormiddel van landbouwmethodes, regionale gebruiken en eco-spirituele overtuigingen, het duidelijk wordt dat álle inheemse wijsheid en tradities van onschatbare waarde zijn, en overduidelijk ook de niet-westerse. Dus in plaats van: “Europe first” zeg ik eerder iets als: “Er zijn mensen op deze granieten lavaknikker die al millennia lang leven. Wat zij zien en horen en te vertellen hebben kan wellicht van belang zijn nu we richting een globale klimaat burn-out gaan.”

Als onderdeel van ons doorlopende project LAND hebben we het afgelopen half jaar artikelen gepubliceerd over klimaatafbraak, eigendom, territorium en kolonialisme en hoe deze zaken met elkaar samenhangen. In al deze artikelen werd er aandacht besteed aan kunstenaars en hoe zij deze thema’s een plek geven in hun praktijk. Op 16 december brengen we de auteurs Chihiro Geuzebroek, Lietje Bauwens, Fiep van Bodegom en Jasper Griepink samen in een online lunch event om de inzichten uit de artikelen met elkaar in verband te brengen. Klik hier om je aan te melden voor dit online event.

Notes

1Turtle Island is een naam voor de aarde en/of voor Noord-Amerika, die wordt gebruikt door sommige Amerikaanse inheemse en First Nations-mensen en door enkele inheemse rechtenactivisten.