NOV
wed

03

wed

10

tue

23

Ik wil een constant orgasme in een prachtig lichaam

De krachtige kwetsbaarheid van trans*lichamen

pollen spools out, words scatter through a waiting room window. Lou Lou Sainsbury en Marie Tučková. 2021. Opgevoerd tijdens Understory Chant van het Dutch Art Institute in samenwerking met Sonsbeek 20-24, in het Posttheater Arnhem. Stills door Baha Görkem Yalım.
Author: Dagmar Bosma – 22 September 2021

Hoe kijken wij in de huidige samenleving naar ons lichaam? Waar ligt haar kracht en waar is zij kwetsbaar? Hoe machtig of onmachtig is zij? In de serie Lichaam en (on)Macht duiken ArtEZ studium generale en Mister Motley dit collegejaar dieper in dit onderwerp. In het openingsessay bespreekt Dagmar Bosma hoe het fysieke en psychische lichaam samenhangen. Hen kijkt hoe ons beeld over het lichaam is gevormd door filosofen als Nietzsche en Spinoza en gaat in op de krachtige kwetsbaarheid van trans*lichamen in het werk van verschillende kunstenaars.

In een van de laatste gesprekken met mijn oma voor haar zelfdoding, vertelde ze me hoe ze zich als kind voor de bliksem verstopte. Bij onweer kroop ze onder het raam en rolde haar lichaam tot een kleine bal. Dit was naar haar inschatting de meest veilige positionering: als er een bliksemschicht door het raam insloeg zou deze rakelings over haar heen scheren. Op elke andere plek in het huis zou de straal haar kunnen raken.

Het veiligstellen van een kwetsbaar lichaam, klein en bevend, dat lukte mijn oma niet meer toen het onweer van binnen kwam. Maar ik denk eigenlijk niet dat ze er op het einde nog bang voor was. Ze lag rustig op de bank in haar werkkamer en er stond muziek op. Ze had zichzelf met een fijne deken toegedekt, haar kleren alvast uitgetrokken om anderen die moeite te besparen. De lenzen zaten in het lenzendoosje. Een daad die vaak begrepen wordt als de ultieme uiting van wanhoop en machteloosheid, was uitgevoerd met de kalmte van totale controle.

Een daad die vaak begrepen wordt als de ultieme uiting van wanhoop en machteloosheid, was uitgevoerd met de kalmte van totale controle


Angst is een natuurlijke reactie van je lichaam op gevaarlijke situaties, verzekerde mijn therapeut mij. Bij mij was dat gezonde alarmsysteem alleen nogal op hol geslagen: het bleef afgaan in situaties waarin mij naar alle waarschijnlijkheid helemaal niets zou overkomen. Angst bood mij niet langer bescherming – het beperkte mijn dagelijkse bewegingen en maakte mijn wereld klein. Het hield mij dicht bij huis, want alleen daar voelde ik mij veilig.

Ik kan nu wakker liggen van het idee dat ik de trein moet nemen. Dat ik in een machine moet stappen waarvan de deuren zich achter mij sluiten, en dat die niet opengaan totdat de bestemming, ver weg, bereikt is. Het openbaar vervoer deel je met een heleboel anderen en die zullen ervan opkijken wanneer jij maar niet stil kan zitten, opeens met je armen begint te zwaaien. In de ruimtes die we gezamenlijk gebruiken, wordt er van je verwacht dat je kalm en beheerst op je plaats blijft zitten.

Ik ga samen met mijn therapeut een lijstje af: ‘‘Van één tot vijf: hoezeer vermijd je de volgende situaties? Alleen in de metro. Samen in de metro. Alleen boodschappen doen. Samen boodschappen doen. Alleen in het theater. Samen in het theater. Van één tot vijf: hoe bang word je van de volgende lichamelijke sensaties? Hartkloppingen. Kortademigheid. Duizeligheid. Wazig zicht. Tintelingen. Druk op de borst. Van één tot vijf: hoe vaak komen de volgende angstige gedachten voorbij? Ik val flauw. Ik krijg een hartaanval. Ik doe mezelf wat aan. Ik doe een ander wat aan. Ik word gek.’’

Het vreemde is dat veel mensen met een angststoornis in de kern vooral bang zijn voor het bang zijn zelf. Bang om overspoeld te worden met angstsignalen en dwanggedachten, bang om een paniekaanval te krijgen, bang om de controle over zichzelf te verliezen. Een angststoornis knoeit met je instinct en brengt het lichamelijke vecht- of vluchtmechanisme in beweging zonder dat daar aanleiding toe is. De staat van overweldigende angst en de momenten waarop het instinct het stuur van ons overneemt, ondermijnen het idee van een lichaam dat we met onze geest naar wens kunnen besturen en controleren. De genetisch vastgelegde patronen die ons voortbestaan en functioneren waarborgen, kunnen ons tegenwerken, in plaats van dat ze kracht geven. Kunnen het lichaam buiten onze macht om doen reageren. Jezelf beschermen tegen externe factoren, tegen bliksem en donder, is één ding, maar wat als de onveiligheid binnen in het eigen lichaam huist?

Maar wat als de onveiligheid binnen in het eigen lichaam huist?


Wanneer het over gezondheid gaat, bestaat er een hardnekkige overtuiging dat het lichaam in principe een eenduidig, omlijnd, bestuurbaar en goed functionerend geheel zou moeten zijn. Tenminste, wanneer het zonder aangeboren ziekten of andere beperkingen uitgevoerd is. In dit beeld zijn bedreigende krachten extern aan het lichaam, en is het onze voornaamste zorg om het op zichzelf gezonde lichaam voor ziekelijke gevaren van buitenaf te beschermen. Die zorg wordt voornamelijk op individueel niveau gedragen: dikke pech voor diegenen die ziek worden of met een beperking leven, maar dat is niet het probleem of de verantwoordelijkheid van mensen zonder kwalen. Zieken kunnen aanspraak maken op behandeling binnen het medische systeem en waar mogelijk op de hulp van vrienden en familie, maar niet op ondersteuning van een bredere gemeenschap of de maatschappij.

Je zou kunnen zeggen dat een begrip van het gezonde lichaam dat ziekte buiten de deur moet houden bevestigd is tijdens de pandemie. We schermden onze lijven af van een ronddolend virus door thuis te blijven, afstand te houden en regelmatig onze handen te wassen. Opeens betrof deze bescherming en zorg echter niet meer alleen het individuele niveau: binnenblijven voorkwam de verspreiding naar anderen, er werden mutual aid structuren opgezet zodat mensen in quarantaine nog aan hun boodschappen konden komen. De pandemie trof iedereen en leidde dus ook tot meer gedeelde verantwoordelijkheid. De opkomst van het nieuwe virus confronteerde ons op mondiale schaal met onze kwetsbaarheid. Maar deze staat van gezamenlijke kwetsbaarheid lijkt toch vooral begrepen te worden als iets tijdelijks, als een zorg die we achter ons kunnen laten wanneer iedereen gevaccineerd is en we terugkeren naar een ‘normaal’ waarin validisme en normen van gezondheid en productiviteit weer zegevieren. Een onweerlegbaar gegeven dat ook ‘na’ de pandemie niet vergeten moet worden, en dat überhaupt centraler zou moeten staan in systemen van zorg, is dat kwetsbaarheid inherent is aan het lichaam, en dat elk lichaam altijd het potentieel in zich draagt om (mentaal) zwak of ziek te zijn. Of, zoals Johanna Hedva, de theoreticus en schrijver achter Sick Woman Theory zegt: ‘A body is defined by its vulnerability, not temporarily affected by it’.

Ieder lichaam is kwetsbaar, maar de middelen waarover we beschikken om onszelf te beschermen maken een wereld van verschil wanneer het gaat over ons lichamelijke welzijn. Toegang tot zulke middelen wordt bepaald door tal van factoren, zoals geografische locatie, landelijk welvaartsniveau en individuele sociale en economische klasse. De ongelijkheid in toegang tot bescherming is opnieuw pijnlijk duidelijk geworden tijdens de pandemie. Velen konden het zich simpelweg niet veroorloven zich thuis terug te trekken. Grote farmaceutische bedrijven legden patenten op hun vaccins en beperkten daarmee de zo wijd mogelijke verspreiding van dit beschermingsmiddel.
Dat populaire ideeën van ‘self-care’ de noodzaak van zorg benadrukken is mooi, maar geïndividualiseerde zelfzorg is niet toereikend in een wereld waarin bescherming zoveel ongelijkheid kent. Anti-validisme activisten zeggen het al jarenlang, lang voordat het de rest van de maatschappij tijdens de pandemie begon te dagen: we moeten af van een mentaliteit van ieder-voor-zich, en bewegen naar een gemeenschappelijk gedragen kwetsbaarheid.

Je zou kunnen zeggen dat een begrip van het gezonde lichaam dat ziekte buiten de deur moet houden bevestigd is tijdens de pandemie


Het zal waarschijnlijk aan mijn filosofische scholing liggen, maar als ik mij een klassiek idee van het machtige lichaam probeer in te beelden denk ik toch al snel aan de filosofie van Nietzsche, waarin lichamelijke levenskracht het hoogste goed is. In een tijd waarin filosofie vooral geïnteresseerd was in de superioriteit van de menselijke ratio, pleitte Nietzsche juist voor de kracht van het lichaam. Hij was een verdediger van de instinctieve driften, die naar zijn idee onterecht ingeperkt en verketterd werden door religieuze en moralistische waardesystemen. Zulke waardesystemen keren de mens volgens Nietzsche tegen de eigen natuurlijke levensdriften, zoals agressie, seksueel verlangen, machtslustigheid en zelfverwerkelijking, en vervangen deze met schuldgevoelens en zelfonthouding.

Volgens Nietzsche kunnen we op fysiologische grond een onderscheid maken tussen de sterken en de zwakken. De naar zijn idee natuurlijke overheersing van de zwakken door de sterken zou daarnaast voorbij moeten gaan aan moralistische terechtstelling, want – zo redeneert hij – je neemt het de sterke roofvogel ook niet kwalijk dat hij aast op het zwakke lam?

Ik bekeek laatst het video-essay Envy van YouTuber Natalie Wynn, beter bekend als ContraPoints, waarin ze de kijker eraan herinnert dat de filosoof die het begrip ‘Übermensch’ bedacht zelf allesbehalve fysiek sterk was. Nietzsche leed aan chronische pijnen en ziekte, was nagenoeg blind, had last van waanvoorstellingen en voortschrijdende geestelijke aftakeling. Hij stierf uiteindelijk op 55-jarige leeftijd na een jarenlang ziekbed. Wynn verklaart zich, als trans*gender vrouw met ‘veel pathetische levenservaring’, in de video solidair met Nietzsche onder de spontane noemer #PatheticPride.

aPhrTOg1RUk
Nietzsche verdedigt het lichaam, haar kernkracht, en haar passies tegenover een veroordelende moraal en verheven ideeën van ziel en zaligheid. Maar hij is partijdig: fysiek en mentaal ziek als hij zelf ook was, draait zijn lichamelijke filosofie om een ideaal van onbelemmerde kracht. Hierin bestaat maar weinig ruimte voor kwetsbaarheid, zachtheid en compassie als inherent menselijke eigenschappen. Los van dat dit wereldbeeld compleet validistisch is, ontbreekt hieraan natuurlijk veel, zoals het besef dat veel machtsstructuren en hun indelingen, normen en hiërarchieën in wezen niet ‘natuurlijk’ zijn, maar juist constructen zijn die zich voordoen als ‘natuurlijk’. Denk bijvoorbeeld maar aan hoe ‘studies’ van fysiologische kenmerken in de 19de eeuw de superioriteit van witte mensen tegenover mensen van kleur meenden te ‘bewijzen’. Nietzsche’s filosofie is een duidelijk voorbeeld van hoe het denken over lichamen en hun kracht en kwetsbaarheid gevormd wordt door overtuigingen rond een ‘natuurlijke orde’. Het idee dat ‘zwakkeren’ onderdrukt horen te worden door ‘sterkeren’ is moreel niet gangbaar meer. Maar validistische, racistische, seksistische en heteronormatieve normen van productiviteit, aantrekkelijkheid, genderrepresentatie, seksualiteit en seksuele reproductiviteit worden nog heel vaak voor ‘natuurlijk’ genomen en centraal gesteld in de ordening van onze wereld.

Nietzsche leed aan chronische pijnen en ziekte, was nagenoeg blind, had last van waanvoorstellingen en voortschrijdende geestelijke aftakeling


Een filosoof in wiens lichaamsgerichte denken meer plaats is voor kwetsbaarheid is Spinoza. In zijn hoofdwerk, Ethica, bestrijdt hij het idee dat de mens de absolute macht over zijn daden heeft, en dat hij door niets anders dan zichzelf bepaald wordt. In plaats van afgerond en volmaakt is de mens fundamenteel veranderlijk en vatbaar voor allerlei invloeden. Deze vatbaarheid zet Spinoza uiteen aan de hand van het begrip van affect. Affect, of affectus, duidt de inwerking aan die het lichaam ondergaat wanneer het met andere lichamen – menselijk, dierlijk of anderszins – in contact komt. Zulke interacties tussen lichamen hebben volgens Spinoza een impact op de levens- en handelingskracht van het lichaam: in interactie met anderen kan het lichaam bijvoorbeeld bedreigd en beperkt of gesteund en gevoed worden, en kan haar kracht en capaciteit afnemen of juist toenemen. Onze kracht zit in de kwetsbare tussenruimten van verandering, en is geen aangeboren bezit.

Kruipend op handen en voeten, zo stelde Spinoza zich Adam voor. Spinoza’s overtuiging dat er in den beginne niet zoiets is als een volmaaktheid, had consequenties voor hoe hij het Bijbelse verhaal van de eerste mens begreep. Waar Adam binnen het Christelijke geloof begrepen wordt als de perfecte creatie van god, die zijn status van perfectie uiteindelijk verliest door de zondeval, schetst Spinoza in plaats daarvan een pathetisch beeld van de eerste mens. Uit het niets op aarde gedropt, zonder de handvaten van opvoeding en ontwikkeling, zonder enig begrip van oorzaak en gevolg, en aanvankelijk zonder andere mensen om zich heen waarvan hij zou kunnen leren, kon Adam niet anders dan bang, ongelukkig en intellectueel gelimiteerd zijn. Adam, kruipend op handen en voeten, was volgens de filosoof amper verheven boven de dieren, laat staan superieur aan andere mensen.

In de kern gaat Spinoza’s filosofie over de wijze waarop lichamen, menselijk, dierlijk of anderszins, in kwetsbare verbinding met elkaar staan. Lichamen zijn beïnvloedbaar en ontvankelijk, hun begrenzingen niet strak omlijnd, maar onzeker, beweeglijk en poreus in de ontmoeting met andere lichamen. Die kwetsbaarheid wordt door Spinoza niet begrepen als een last of als iets dat ons leven tegenwerkt; het is juist deze kwetsbaarheid die de opening biedt tot krachtig, euforische zelfverwerkelijking en lichamelijke expressie.

Lichamen zijn beïnvloedbaar en ontvankelijk, hun begrenzingen niet strak omlijnd, maar onzeker, beweeglijk en poreus in de ontmoeting met andere lichamen


Ik heb soms een dof gevoel in mijn lendenen. Het is niet precies pijn, meer de sensatie van ontoereikendheid. Het is vreemd hoe hetgeen je mist des te nabijer kan voelen. Het is een verlangend gevoel dat van tijd tot tijd opzwelt, mij doet dromen van een andere vorm. Het gevoel is vol van potentieel en ook genesteld in een onmogelijkheid. Ik kijk De Kleine Zeemeermin, ze is zo ontevreden met haar leven onderwater en wil onderdeel zijn van de mensenwereld boven het oppervlak van de zee. Ik denk ook aan een passage uit de dagboeken van trans*man en trans*activist Lou Sullivan, over een andere wereld, onder de oppervlakte: ‘My problem is that I can’t accept life for what it is…Like it is presented to me. I feel there is something deep and wonderful underneath it that no one has found. – This is me becoming a human being.’, en later: ‘I still yearn for that world – that world I know nothing about – a serious threatening sad ferocious stormy lost world’. Deinend en dan weer stormig.
De Kleine Zeemeermin wil een ander lichaam hebben, anders kunnen bewegen, op een andere manier in verbinding staan met de wereld – dat is bovenal haar verlangen. Kunnen lopen, rennen en dansen, de warmte van de zon en een vuur voelen. Ze heeft al een grote verzameling aan mensenspullen aangelegd, voordat ze in aanraking komt met en verliefd wordt op een mens. De prins bevestigt eigenlijk vooral het plaatje waarin de zeemeermin zichzelf al zo lang anders droomt. Het is niet alsof ze alleen voor hem alles opgeeft, nee, ze wilde deze andere vorm zelf al, en het is hierover dat ze haar meest hartstochtelijke lied zingt, niet over de prins: ‘I don’t know when, I don’t know how, but I know something’s starting right now. Watch and you’ll see, one day I’ll be, part of your world’.
Ook ik weet niet wanneer of hoe de verandering is begonnen, en of deze vervolmaakt kan worden, welke stappen de juiste zijn, of ik niet weer van gevoel zal veranderen. Mijn lichamelijke aandrang anders te worden is niet transparant voor mij, of zoals Lou Sullivan zegt: ‘I need something badly but I’ll never find out what it is I need.’ Ik weet alleen dat er nu een dof gevoel is, en een verlangen. Ik sta nog niet eens op de wachtlijst voor de genderpoli aan het VUmc, dat een monopolie heeft op de transgenderzorg. De wachttijd is meer dan twee jaar en dan moet je nog dat hele verschrikkelijke diagnosetraject door, waarin je gevraagd wordt hoe je eigenlijk precies masturbeert en je als trans* masculien maar beter kan liegen over het feit dat je als kind met barbies speelde. Je moet bewijzen dat je je ellendig en machteloos genoeg in je lichaam voelt om ‘echt’ trans* te zijn, dat je serieus bent over het bereiken van de eindbestemming, voordat je ook maar een stap kan zetten richting hormonale verandering. Ik mag pas transformeren wanneer ik naar een eenduidige bestemming beweeg. Wat dit poortwachtersysteem van bio-power met haar stapsgewijze, doelgerichte logica niet wil begrijpen, is dat trans*zijn een continue proces van wording is: zijn ís worden.

‘My want for another body arrived, first, with the knowledge that it could not be’, schrijft T. Fleischmann in de essay-novelle Time is the Thing a Body Moves Through. En even later: “It was only a year or so, however, before learning how to swing a hammer let me think I am the one who makes my body different and before I knelt in dirt and placed my hands on rock and decided to start dropping little blue pills underneath my tongue when I woke, to take more control over my future body.”
Trans*zijn deint steeds tussen de anticipatie van mogelijkheid en onmogelijkheid, beweegt tussen stormachtige machteloosheid en een haast niet te bevatten kracht, die van alles doorstaat om het lichaam van gedaante te doen verwisselen. Dit lichaam is nooit een afgerond geheel geweest. Binnen dit veranderlijke lichaam vormt gemis en ontoereikendheid de grond waarop naar een zekere controle over het lichaam gereikt wordt, de verandering bewerkstelligd wordt, de transformatie in gang gezet: dit lichaam is maakbaar maar in den beginne niet volmaakt, heeft nooit de volledige macht over zichzelf maar streeft er naar anders te worden. Veel gevoelens zijn daar onderdeel van, naast momenten van ‘genderdysforie’ of ‘gendereuforie’ zijn er ook complexe gevoelen van rouw om de dingen die je, in ieder geval voor nu of misschien onomkeerbaar, achter je laat. Fleischmann lijkt op sommige momenten haast op Spinoza: “I think of the love I have within myself and in thinking of it make it an offering to the many-handed hunger of transsexuality. I try to become aware of the movement of my body, which feigns stillness while crossing an earth that spins and arcs, and in that collapse of motion I sense the impossible movement of love’s potential, an ecstatic spatiality.” Hen beschrijft het lichaam als een constante beweging door een tussenruimte, als gedreven door een deining die zowel onvermogen als potentie in zich draagt.

Ik mag pas transformeren wanneer ik naar een eenduidige bestemming beweeg


De gelijktijdige kracht en onmacht van het trans*lichaam, biedt een ingang om anders over kracht te denken, en wel zonder wellustige fantasieën over overheersing en zonder illusies over aangeboren dominantie. Het idee van een lichaam dat een overheersende controle over andere lichamen kan uitoefenen, impliceert de macht over en bestuurbaarheid van het eigen lichaam. Dat onze bestuurscontrole gebrekkig is en er veel aan de macht over ons lichaam ontglipt, begrijpen trans* personen goed.
Veel trans* en gender-divergente kunstenaars omarmen deze lichamelijke onmacht in hun werk en bekommeren zich niet zo over de klassieke notie van kunstenaarschap als meesterschap. Een gebrek aan controle is nadrukkelijk onderdeel van hun methode en geeft daarbinnen ruimte aan intuïtie, improvisatie, geknoei en overvloed. De in Rotterdam gevestigde Amerikaanse kunstenaar Geo Wyeth (‘‘Ik ben transgender, maar wil de volledige transformatie niet maken’’), die werkt met muziek, installatie en performance en in 2020 het album ATM FM uitbracht, refereert in hun doorlopende project ‘Muck Studies Dept. ’ herhaaldelijk aan de ontsnapping van stinkende gassen en lekkende viezigheid uit moerassige (water)lichamen. In meanderende teksten verweeft hen het motief van de rivier uit Afro-Amerikaanse spirituals met hints naar de ‘diepe kolonialiteit’ die weggeborgen is, maar als gas aan het oppervlak opborrelt. Wyeth’s lichaam beweegt in de liederlijke gedichten mee op de vloed, het reikt naar de bodem van het water en laat scheten: ‘Sometimes you have to release things into the air that stink. It’s like releasing, passing, gass, into the air […] I’ve got a river inside of me. I’ve got gass inside of me. […] I’m gonna let my ass go in the air. I’m gonna feel that gass rise in the air’.
Wyeth werd in de Verenigde Staten muzikaal geschoold, en gevormd met een idee van vakmanschap als bewijs van excellentie. In hun performances kruipt hen in de huid van personages die stuk voor stuk vreemde, lelijke en tragische misfits zijn. Middels deze alter-ego’s streeft Wyeth naar de afbreuk van gepolijste schoonheidsidealen, en speelt hen in op de complexiteit van passing1 en het onvermogen andermans perceptie van jezelf te beheersen.
Eenzelfde discrepantie is te vinden in de samenkomst van Wyeths tedere en zorgvuldige melodieën met hun songteksten die telkens weer letterlijk over scheten gaan. Het werk dat hen onder dezelfde noemer in TENT presenteerde, bevatte vloerluiken die de kruipruimtes van het gebouw openden, bescheen met fel gekleurd licht aan het oog onttrokken pijpleidingen en blies de muffe lucht van het onderaardse met ventilatoren omhoog. Op ongezette tijden zwol er uit her en der verspreidde transistorradio’s een kakofonie aan dissonante field recordings en stemgeluiden op. De installatie was als een opgebaard lichaam, versprokkeld en half uiteenvallend, dan weer samen komend in een krachtige echo.
1 ‘Passing’ is een term binnen de trans* gemeenschap. De term wordt gebruikt wanneer een trans*persoon door de buitenwereld effectief gezien wordt als behorende tot het gender waarmee de trans*persoon zich identificeert. Passing duidt doorgaans aan dat een trans*persoon niet herkenbaar trans* is, maar op het oog cisgender lijkt te zijn (iemand is cisgender wanneer de genderidentiteit overeenkomt met het bij de geboorte aangewezen geslacht). Niet elke trans*persoon heeft de mogelijkheid (of het verlangen) fysiek in transitie te gaan en ‘passing’ te zijn, aangezien dit afhangt van allerlei uiterlijke kenmerken en meestal toegang tot een medische behandeling met hormonen en operaties vereist. Een trans*man met gezichtsbeharing en platte borst wordt bijvoorbeeld veel eerder door de buitenwereld als man gezien dan iemand die deze uiterlijke kenmerken niet heeft.
Geo Wyeth bij de Dolf Henkes Prijs 2021 in TENT, foto: Aad Hoogendoorn
Geo Wyeth bij de Dolf Henkes Prijs 2021 in TENT, foto: Aad Hoogendoorn
Tijdens de ‘aeroponic acts’ van het Dutch Art Institute, dit jaar gehouden in het Posttheater in Arnhem, woonde ik via de livestream een intieme performance bij van Lou Lou Sainsbury. In Pollen spools out, words scatter through a waiting room window zingen Sainsbury en bevriende performer en medestudent Marie Tučková eerst een ode aan sijpelende en slijmerige seksuele en andersoortige uitwisselingen tussen planten, insecten en mensen. De ruimte werd vervolgens gevuld met fragmenten muziek uit Hitchcock’s film Vertigo, aan elkaar geplakt tot een lange onheilspellende soundtrack die een intens gevoel van anticipatie voortbrengt zonder uiteindelijke climax of verlossing. Een bak met sterk geurende blubber, die doet denken aan hormoongel, komt op het toneel. De performers scheppen handenvol uit de bak en smeren deze excessief over hun benen, die er al gauw van druipen. De lichamen glijden rond in de glibberige massa, in een schokkerige beweging tussen dans en val, en belanden uiteindelijk bij elkaar op schoot in een innige omhelzing.
pollen spools out, words scatter through a waiting room window. Lou Lou Sainsbury en Marie Tučková. 2021. Opgevoerd tijdens Understory Chant van het Dutch Art Institute in samenwerking met Sonsbeek 20-24, in het Posttheater Arnhem. Stills door Baha Görkem Yalım.
De performance is, zo licht Sainsbury toe, enerzijds geïnspireerd door de stiekeme uitwisseling van hormonen tussen haarzelf en vrienden buiten de officiële medische kanalen, en anderzijds door de tijd die ze momenteel doorbrengt in de wachtkamers die onderdeel zijn van het gereguleerde medische systeem. Volgens Sainsbury schuilt er romantiek, maar ook horror in de afwachting van de transformatie waarnaar je zo verlangt. Dit verlangen kent geen apotheotische bevrediging, maar sluimert een hele lange, trage tijd die vol is van non-events en minuscule heimelijke veranderingen. Een medische transitie is iets dat je moet ondergaan, een proces dat je in een temporele greep houdt waarop jij geen enkele controle kunt uitoefenen. Wachttijden houden immers geen rekening met de acute noodzaak van jouw behoeften. Maar, zoals de titel van de performance suggereert, heeft elke wachtkamer wel een raam, en dat raam staat soms op een kier waardoor er iets naar binnen kan glippen. Ondergrondse netwerken vinden hun weg in starre instituties door de ramen die op kieren staan. Het zijn deze netwerken van vrienden en hormoonsmokkelaars die ondersteuning bieden en kracht geven wanneer wij door systemen bewegen die ons machteloos doen voelen.
pollen spools out, words scatter through a waiting room window. Lou Lou Sainsbury en Marie Tučková. 2021. Opgevoerd tijdens Understory Chant van het Dutch Art Institute in samenwerking met Sonsbeek 20-24, in het Posttheater Arnhem. Stills door Baha Görkem Yalım.
Afgelopen lente had ik op weg naar de tentoonstelling In Good Company (Horsepower): Materials from the Gift-Science Archive, 1993-present, in mistral in Amsterdam een lichte paniekaanval die tot wat vertraging leidde. Er restte me bij aankomst nog maar 15 minuten van het tijdslot om door de met zorg gepresenteerde archiefmaterialen van de Nederlands-Amerikaanse schilder, lichaamskunstenaar, schrijver en parfum verzamelaar Sands Murray-Wassink heen te gaan. Deze tentoonstelling was een project van If I Can’t Dance, I Don’t Want To Be Part Of Your Revolution. Vlak naast de ingang van de ruimte hing er aan het plafond een doorschijnende paarse doek met glinsterende borduursels en daarop in verf de woorden: ‘I want a constant orgasm in a beautiful body’. En dit onmogelijke verlangen naar een constant orgasme in en prachtig lichaam doordrong eigenlijk alle objecten in de ruimte, tot aan de kleinste frutsels en franjes toe. Het wilde archief van Murray-Wassink stapelde zich gedurende tientallen jaren op in zijn studio, terwijl de kunstenaar maar zeer afwisselende toegang tot zichtbaarheid had (de expositie in mistral was zijn tweede solopresentatie in Amsterdam). De 18- maanden durende performance Gift Science Archive was een eerste poging tot het uitpluizen van Murray-Wassinks monumentale maar gefragmenteerde oeuvre aan uiteenlopende ‘studio objecten’.

Het archiefproject plaatste de nadruk naar eigen zeggen op de sociale relaties die deze objecten samenbrengen in gevoelsmatige en intuïtieve netwerken, in plaats van op een status van deze objecten als losstaande kunstwerken. In mistral werden de vruchten van de verbindende archief-oefening op tactiele wijze tentoongesteld. Ik mocht met mijn eigen handen bladeren door eindeloze stapels zwart-wit foto’s waarop een jonge Murray-Wassink met een uitdagende en zelfverzekerde blik de camera inkijkt. De serie digitale kleurenprints aan de muur tonen de kunstenaar op latere leeftijd, terwijl hij naakt en kwetsbaar in een bloemenveld vooroverbuigt. De expositie biedt een ontroerende kijk in de manier waarop iemand over langere tijd in zijn genderfluïde lichaam beweegt, erin verandert, erin groeit en erin geniet, al is dat lichaam ongrijpbaar en ontoereikend. Murray-Wassink tracht zijn lijf vaak te overstijgen maar vindt hierin toch ook momenten van verrukking en veilige omarming. Er bestaat niet zoiets als volmaakte genotzaligheid, maar ik verliet de ruimte met een warm en rustig gevoel.
Installatie foto: Sands Murray-Wassink, In Good Company (Horsepower): Materials from the Gift Science Archive, 1993–present, foto door: Charlott Markus. Gift Science Archive is a commission of If I Can’t Dance, I Don’t Want To Be Part Of Your Revolution curated by Megan Hoetger, and has been realized as a collaboration between Amalia Calderón, Megan Hoetger, Sands Murray-Wassink and Radna Rumping. The exhibition In Good Company (Horsepower) at mistral is co-curated by Megan Hoetger, Radna Rumping and Huib Haye van der Werf.
Sands Murray-Wassink, Identity Shots or Before Robin, After Hannah Wilke (1995). Edition of 60 performalist self-portraits self-shot by the artist and archivally stored with floral silk textile. Black and white photoprints; 30.5 × 20 cm each.