DEC
mon

07

wed

16

Er woont iemand in het moeras

Author: Lietje Bauwens – 08 October 2020

Droogte, overstromingen en hitte nemen toe. Bossen worden gekapt en moerassen drooggelegd. De klimaatafbraak is een dagelijkse realiteit waarvan de oorzaak gevonden kan worden in de manier waarop wij met de natuur omgaan, ons land toe-eigenen en ons verhouden tot alles wat daarop leeft.
Lietje Bauwens schrijft in haar essay over het moeras. Het moeras wordt vaak geromantiseerd als uitgestorven natuurfenomeen. In het licht van historische droogleggingpraktijken in Amerika, plaatst Lietje Bauwens hier kritische vraagtekens bij. Ze grijpt daarentegen (de metafoor van) het moeras aan voor een kritische blik op onderdrukkingsmechanismen in steden als Brussel en Amsterdam, die tenslotte gebouwd zijn op moeras. Aan de hand van verschillende artistieke projecten over het moeras, analyseert Lietje hoe drassige bodemgronden nog altijd doorleven in onze sociale realiteit.
Diving through the settler colonial fill, we have started to retrieve the good lands that still flow. Relearning to see and story our relational dynamisms with land and water, is making way for decolonizing projects in land currently named urban and ceded.[1]

Veel grote steden op het westelijk halfrond, van Amsterdam tot Brussel, Chicago tot Sint-Petersburg, Venetië tot New York zijn gebouwd op moerassen; onder het beton sijpelt een drassige geschiedenis die zoveel mogelijk wordt verdrongen. Ik stel echter voor om deze waterige ondergrond niet enkel in de voltooid verleden tijd te denken, maar een licht te schijnen op hoe zowel het moeras als de drooglegging ervan doorleeft in de stedelijke materiële en sociale realiteit van vandaag. Niet alleen in de vorm van kunstmatig aangelegde draslanden, die ons weer tegen de stijgende zeespiegel zouden moeten beschermen, maar ook metaforisch is het moeras alom aanwezig. In dit essay duik ik eerst dieper in het moeras, haar geologische realiteit en politieke geschiedenis, om vervolgens te laten zien hoe zij vandaag voortleeft in artistieke contexten. Ik kijk naar kunstprojecten die het moeras als natuurfenomeen centraal stellen, en stel hier praktijken tegenover die een link leggen tussen (de metafoor van) het moeras en de hedendaagse stad. Hoe verhouden kapitalistische stedelijke ontwikkelingen zich tot droogleggingen? En (hoe) kan ‘indigenization’ –het opnemen en centraal plaatsen van inheemse volkeren – antigentrificatie strategieën katalyseren?

"Ik stel echter voor om deze waterige ondergrond niet enkel in de voltooid verleden tijd te denken"

Het moeras als verwaarloosbare ruimte
Brussel komt van Broekezele – letterlijk; een nederzetting op het moeras. Dit ontdekte ik met mijn werkpartner Wouter De Raeve toen wij ons voor het artistieke onderzoeksproject ‘the new local’ verdiepten in de bodem van Brussel. De Swamp Gathering die we naar aanleiding hiervan in 2018 organiseerden, stelde de vraag in hoeverre de waterige ondergrond van Brussel doorleeft in haar complexe karakter vandaag de dag - de stad bestaat uit negentien slecht met elkaar communicerende gemeenten, twee officiële talen en ontelbare culturen en tijdelijke bewoners. De bijeenkomst was een succes, maar om voorbij eerste, intuïtieve associaties te komen, maakte ik dit jaar voor nY een ‘moerasnummer’. Voor deze publicatie vroeg ik schrijvers, een geobioloog, kunstenaars, een permatuinier en vele anderen om het moeras talig in kaart te brengen.

Allereerst leerde ik dat het noodzakelijk is om van een abstract denken over het moeras, terug te keren naar de concrete ecologische realiteit ervan. Uit de verschillende bijdragen bleek vooral dat er vele namen zijn voor “het overgangsgebied tussen land en water” en dat deze termen elk hun eigen discursieve, politieke en biologische achtergronden hebben. Het Nederlands telt verschillende woorden voor moerassen zoals zomp, moer of moerland, broek, goor, ooi voor natte gebieden langs rivieren en onland[2], en achter termen als ‘swamp’ (moeras) en ‘wetland’ (drasland) ligt een politiek beladen discours. De realiteit van het moeras is een ruimte die ‘niet meetelt’ omdat ze ons geen directe middelen, landbouw, of bosbouw biedt. “Het moeras wordt als een verwaarloosbare ruimte beschouwd vanwege de fragiele interactie tussen levende wezens.”[3]
Swamp, (Rozalinda Borcila)
De opvatting dat een bepaald verwaarloosbaar stuk land beter op een andere manier gebruikt en winstgevend gemaakt kan worden, ligt ten grondslag aan de eerste koloniale expedities naar wat nu Chicago heet, rond 1700. Vanuit de economische motivatie om een handelsroute tussen de Atlantische Oceaan, de Mississippi en de Golf van Mexico te creëren werden Inheemse moerassige gebieden drooggelegd. Deze koloniale drooglegging was een puur speculatief project; toekomstig droogland werd al van tevoren omgezet in verhandelbare aandelen. In hun parallelle vertelling “MASHKIIG” en “Swamp/Wetland/Bank” demonstreren schrijvers Rozalinda Borcila en Andrea Carlson, vanuit hun respectievelijke academische onderzoek en inheemse ervaringen, hoe er de afgelopen decennia op het moeras is gekapitaliseerd. “Het moeras is een verhaal van koloniale orden, uit de modder gewekt door toekomstfantasieën van koloniale ontdekkingsreizigers en geldschieters. Het is het verhaal van het (onzichtbaar) maken van koloniaal eigendom op land, zodat het in retrospectief onvermijdelijk zou lijken.”[4] Historisch gezien is drooglegging een project waarin constant verhalen worden verteld die discursieve, esthetische, affectieve, materiële en juridische vormen aannemen, in de vorm van wetten, onteigeningen en de organisatie van kapitaal.

Om alle droogleggingsplannen gerealiseerd te krijgen, waren de koloniale investeerders genoodzaakt een beeld te scheppen van een moeras dat erom vraagt uitgebaggerd te worden; dit moeras moest alleen wel eerst worden gecreëerd voordat het kon worden drooggelegd. Het discours rondom drooglegging reguleert een onderscheid tussen actief en traag, leven en niet-leven, tussen menselijk en niet-menselijk: tussen waardevol en waardeloos. Bij deze culturele creatie van de term ‘moeras’ hoort het beeld van ongetemde ‘Indianen’, en van stukken natuur en wildernis waar geen mensen (kunnen) wonen. Kortom: het droogleggen ervan doet niemand kwaad, en dient het algemeen goed. Het moeras is het probleem, beschaving de oplossing. Waar het moeras complexiteit, contingenties en gevaar huisvest, brengen de kolonisatoren juist orde en structuur.

"Het moeras is het probleem, beschaving de oplossing."

Tegenover de gevaarlijke connotaties van het ‘moeras’ kwam in 1950 de term ‘drasland’ te staan. Dit begrip schuift een positiever beeld van een zogenaamde ‘ongerepte natuur’ naar voren, en beschrijft ‘Indianen’ niet langer als ‘volgzame of zelfs wilde’, maar ‘nobele’ wilden. Deze romantische benadering moest zogenaamd de ‘onprecieze en beladen term moeras vervangen’[5] maar de herwaardering van draslanden had wederom vooral een economische en koloniale motivatie. Geïnspireerd op de toenemende neiging in ecosysteemtheorie om biologische, financiële en sociale sferen samen te voegen, werd de potentie van draslanden, als buffers voor kuststormen en overstromingscontrole, grondwateraanvulling en verontreinigingsfilters, omarmd. Dit leidde tot de oprichting van zogenaamde ‘mitigatiebanken’ waarbij vastgoedontwikkelaars de schade die ze aanrichten op ontwikkelingsplekken kunnen compenseren door draslanden aan te leggen. Hiervoor krijgen ze ‘draslandkredieten’, die vervolgens zelf weer verhandelbaar zijn. Compensatiemarkten werpen niet alleen vele vragen op over o.a. de natuurlijkheid en verhandelbaarheid van natuur, maar zijn ook schuldig aan het verjagen van miljoenen Inheemse mensen voor het forceren van grondmanagement en eigendomsregimes die aansluiten bij de productie en uitwisseling van compensaties.

De grote tegenstelling is dus dat de toenemende discursieve waardering van draslanden gepaard ging met een toenemende en wijdverspreide drooglegging ervan. Het inheemse gebruik van het moeras, het oogsten van medicinale planten en het organiseren van ceremonies en andere activiteiten, wordt onmogelijk gemaakt door een landbeheer waarin preservatie (behoud) centraal staat. Zowel de koloniale ontdekkingsreizigers die het moeras in eerste instantie drooglegden als de ontwikkelaars die draslanden aanlegden en in natuurparken afgrensden, ontkennen volledig hoe de inheemse bevolking in het moeras samenleefde met elkaar en met de natuur. “Lang voor de Europese invasie bestonden Inheemse volkeren al naast elkaar, met strikte internationale afspraken om de vrede te bewaren. We maakten verdragen, onderhielden en respecteerden protocollen met de dieren en planten in onze omgevingen.”[6]

Het moeras als artistiek object
Toen ik me in het moeras begon te verdiepen, viel me op dat ik deze fascinatie met veel andere kunstenaars en ontwerpers deelde. Logisch misschien, gezien de toenemende interesse in niet-antropocentrische ecologie, ofwel een opvatting van ecologie waarbinnen de mens niet de norm is. Toch lijkt de magie van het moeras, haar ongrijpbaarheid en mysterie, extra aantrekkelijk in een tijd waarin Westerse, rationele logica niet altijd de juiste handvaten lijkt te bieden. “Het moeras wordt een soort toegangspoort tot Gaia[7],” stelde filosoof Kristupas Sabolius, toen ik hem interviewde over het ‘Swamp Pavilion als onderdeel van de Venetië Architectuur biënnale in 2018’; “de perfecte manier om de creatieve ontmoetingen met het netwerk van relaties dat we eeuwen hebben buitengesloten te herstellen, zoals symbiotische interacties tussen planten, organismes, verschillende diersoorten en hun omgeving.”[8] De Litouwse initiatoren van de ‘Swamp Pavilion’, organiseerden gedurende een half jaar verschillende workshops zoals de ‘Swamp School’, en brachten zelf een stuk Litouws moeras mee naar Venetië.
Swamp Pavillion, het stukje verscheept Litouws moeras
Reservoir in 019, Gent
Ook dichterbij huis, en op dit moment, is een interesse in het moeras zichtbaar. Kunstenaar Jacqueline Heerma boorde een gat van 10 meter in het kunstmatig aangelegde moeras ‘Land in wording’ (no. 18 in het Amstelpark te Amsterdam). Ze is geïnteresseerd in de narratieven omtrent dit stukje grond, dat bij de aanleg in 1972 nog ‘relocated nature’ werd genoemd, maar tegenwoordig als ‘untouched nature’ wordt gepromoot. Heerema bewaarde de verschillende veenlagen, uit het 10 meter diepe gat, een jaar lang in haar koelkast en organiseerde verschillende seminars en workshops bij het moerasje over de mate waarin ook aarde ademt en leeft. Kunstruimte 019 in Gent, tenslotte, is voor de expositie ‘Reservoir’ op dit moment omgebouwd tot moeras; als bezoeker krijg je een paraplu voordat je de druilerige en drassige loods binnenstapt, gevuld met op het moeras geïnspireerde kunstwerken die opgaan in hun omgeving. Naar aanleiding van de nY publicatie, maakten Rozalinda Borcila en Andrea Carlson speciaal voor deze tentoonstelling een geluidsinstallatie waarin ze het Inheemse scheppingsverhaal Anishkaag in de oorspronkelijke taal voorlazen.
Verschillende lagen bodemgrond uit 'Land in Wording' (Jacqueline Heerema)
Kortom, het moeras wordt talig en beeldend tot leven geroepen. Hoe doen we dit, zonder haar te romantiseren en te exploiteren door het ‘onvatbare’ toch proberen te ‘vatten’? Deze vragen stelde ik dan ook toen ik aanwezig was bij een van de workshops in het Swamp Pavilion in Venetië. Sabolius antwoordde dat er geen voorstelling zonder sensatie is, en dat hun paviljoen niet alleen theoretisch toegang wilde bieden tot het moeras, maar ook een fysieke plek wilde creëren waar je deze kon ‘ontmoeten’ aan de hand van verschillende ruik, proef –en luisteroefeningen. “Ik geloof dat het onmogelijk is om het moeras vanuit een neutraal punt binnen te treden of te bespreken, in die zin hebben we te maken met de dialectiek van indringing en respect.” Geeft hij toe, “een deel van het Litouwse moeras is naar Venetië gebracht, maar het meest verbazingwekkende is dat het nooit is gestopt een moerassig leven te lijden: het werd geplant in het lokale ecosysteem en zal zo doorgaan met de creatie van nieuwe relaties.”

Zoals de teksten van Carlson en Borcila aantonen, zijn het inderdaad de relaties die het moeras maken, en kan alleen vanuit de respectvolle erkenning van wat er leeft weerstand worden geboden tegen de exploitatieve logica van het moeras als een plek zonder (menselijke) bewoners. De wetenschap dat de preservatie en creatie van moerassen dezelfde structurele onderdrukking in zich draagt als drooglegging, dwingt kunstpraktijken om voorzichtig om te gaan met romantisering ervan. Hoe kunnen we naast de niet-menselijke, juist ook de sociale en politieke situatie van de menselijkemoerasbewoners belichten? En: hoe doen we dit zonder deze vervolgens bewust of onbewust te exploiteren? Inheemse verhalen, kennis en praktijken zijn namelijk lange tijd door niet-inheemse volken gebruikt om hun eigen artistieke activiteiten of argumenten mee te voeden, stelt Andrea Carlson. Haar tekst ‘MASHKIIG’ bevat daarom slechts fragmenten van de Anishkaag, een bezield scheppingsverhaal van de Ojibwe volkeren die leven in wat nu de Chicago heet. Ze haalt Mythische figuren als ‘De Oermens’ de Watergeesten’ en ‘de Oude Paddenvrouw’ aan, maar geeft niet alles bloot. “Door het verhaal hier slechts ten dele te hertellen, krijgt de lezer de taak het verhaal in zijn herinnering mee dragen, zonder deze echt te bezitten.”

"Inheemse verhalen, kennis en praktijken zijn namelijk lange tijd door niet-inheemse volken gebruikt om hun eigen artistieke activiteiten of argumenten mee te voeden"

Het moeras als stedelijke (Brusselse) realiteit
Hoe dan om te gaan met het moeras dat hier ver onder onze voeten, maar ook recht voor onze ogen ligt? Wat is de fijne lijn tussen interesse en appropriatie? Hoe ons niet blind te staren op het moeras als ‘natuurfenomeen’, maar te onderzoeken hoe de onderdrukkende mechanismes in moerasdrooglegging nog steeds aanwezig zijn? Naast praktijken die het moeras dus vanuit een ecologische interesse benaderen, wil ik kunstenaars naar voren schuiven die de metaforische eigenschappen van het moeras en haar socio-economische verleden, gebruiken om hedendaagse stedelijke ontwikkelingen mee te begrijpen en veranderen. Ik keer terug naar Brussel; de stad waar ik de afgelopen jaren heb gewoond, en die in navolging van de omliggende steden Amsterdam, Parijs en Londen, steeds meer ten prooi valt aan een op winst beluste stadsplanning. Hierbij wordt de aanwezige complexiteit zoveel mogelijk geëlimineerd – of drooggelegd? – om buurten klaar te maken voor de komst van een rijke, vaak witte, middenklasse. De moeraslens biedt een kritische blik op deze gentrificatieprocessen, die in Amerika vaker een vorm van ‘21e-eeuwse kolonialisme’ zijn genoemd[9]. Net als bij kolonialistische processen, besluit hier een elite (in het geval van gentrificatie bestaat deze uit bankiers, investeerders, architecten, politici, in het geval van kolonisatie d.m.v. moerasdroogleggingen uit verschillende politieke instanties, netwerken en ontwikkelaars) dat een buurt onbewoonbaar is en opgewaardeerd moet worden, zetten zij hier ‘consumenten’ (settlers/yuppen) voor in, ten koste van de hier al langer wonende aanwezigen. “Gentrification is the continued obsession of modern era settlement in supposed new territories, namely the untamed city”.[10] Een Amerikaanse situatie op Brussel projecteren, of überhaupt het trekken van parallellen tussen hedendaagse stedelijke ontwikkelingen en kolonialistische geschiedenissen, tussen zogenaamde ‘probleemwijken’ en het moeras, is een gevaarlijke aangelegenheid. Toch denk ik dat het zinvol is de verschillende onderdrukkingsmechanismes in het licht van elkaar te onderzoeken, als verzet tegen een metaforische herhaling van de geschiedenis.

"Hoe dan om te gaan met het moeras dat hier ver onder onze voeten, maar ook recht voor onze ogen ligt?"

Om nog concreter te worden, wil ik inzoomen op een van die zogenaamde ‘probleemwijken’ van Brussel: de Noordwijk. Deze plek, gelegen aan het Noordstation, wordt geframed als gevaarlijk en onleefbaar – zodat ontwikkelaars er hun vrije gang kunnen gaan. Middenin de wijk ligt het Maximiliaan park, al sinds het begin van de vluchtelingencrisis een tijdelijk thuis voor duizenden migranten die hun oversteek naar Engeland proberen te maken maar vaak langere tijd in Brussel verblijven. Zij worden door anti-immigratie-partijen ‘transmigranten’ genoemd, om te benadrukken dat ze niet in Brussel willen blijven en België dus ook geen verantwoordelijkheid voor ze draagt. Om dit park heen staan sociale woninggebouwen in precaire toestand, terwijl de grote WTC-torens ernaast, die afgelopen jaren leegstonden en door kunstenaars (waaronder ikzelf) werden bewoond, nu worden omgebouwd tot luxe woon –en werkplekken voor de hoge middenklasse. Op de grens tussen de Noordwijk en Molenbeek (een buurt die veelal in het nieuws is geweest als zogenaamde broedplaats voor extremistische moslims) wordt op dit moment een groot museum gebouwd, met grootstedelijke allure. Door de Noordwijk als ‘niemandsland’ te bestempelen, een plek waar ‘niemand wil en kan wonen’, wordt het voor de Brusselse overheid mogelijk deals te sluiten met vastgoedontwikkelaars om hier een nieuwe, internationale toekomst te bouwen.

Filosoof Didier Debaise beaamt dat de moerasmetafoor nuttig kan zijn voor het denken over hedendaagse stedelijke ontwikkelingen: “Wat we leegtes noemen, zijn slechts leegtes binnen een logica (bijv. ruimteplanning, het rendabel maken van de ruimte, rationalisatie van percelen) waar ze niet in passen. (..) het is echter duidelijk dat in deze non-plaatsen of leegtes een veelheid is aan realiteiten, mensen, dieren, planten..” Buurten zoals de Noordwijk in Brussel kennen we natuurlijk overal, en dat de Noordwijk allesbehalve een niemandsland is, moge duidelijk zijn. Dat het complexe web aan de bestaande sociale relaties (de ongrijpbaarheid van de ‘transmigranten’, de buurtbewoners in precaire sociale woningconstructies en de anonieme forenzen die elke dag op het Noordstation aankomen en vertrekken) niet past in het plaatje dat de stad Brussel, de vastgoedbedrijven en hun investeerders voor ogen hebben, ook. “Land possession through colonization or gentrification is a continuum of western mankind’s interest in landholding. Most important, marginalized individuals are considered an afterthought since they are sacrificed to cost or living adjustments and ultimately total displacement”[11]

Ik wil niet ontkennen dat de (infrastructurele) situatie in de Noordwijk, maar ook in Molenbeek of andere arme buurten, verbeterd dient te worden, maar hoe doe je dit zonder deze te ‘cultiveren’ of van bovenaf een nieuwe visie te implementeren? Waar het concept van een ‘niemandsland’ als problematisch wordt gezien, kan het ook een kracht zijn. In een publicatie over gastvrijheid in de Noordwijk schrijft Wouter De Raeve, met wie ik ook de Swamp Gathering organiseerde, hoe die ‘uitgestorvenheid’ het mogelijk maakte dat migranten een veilige plek konden creëren. “De omstandigheden in deze veilige pek zijn echter veel te precair en moeten worden verbeterd. Deze aankomstplek in Brussel moet de kwaliteiten van een ‘non-place’ behouden, met de faciliteiten om een menselijke aankomst te kunnen garanderen. Ze moeten zich zowel welkom voelen, als ook daadwerkelijk gestimuleerd in het najagen van hun dromen.”[12] Hoe laat je de mensen die al aanwezig zijn zelf vertellen hoe de buurt eruit zou moeten zien, om hen hier vervolgens ook zelf van te laten profiteren? Voor een dergelijke aanpak, die de kwaliteiten in het stedelijke moeras intensifieert in plaats van drooglegt, is zowel een ander perspectief op grondgebruik als een ander model van grondeigendom vereist.

Zowel de drooglegging van moerassige ecosystemen als de drooglegging van de moerassige stad zijn economisch gedreven; het doel van beide speculatieve planningen is grondtoe-eigening en uiteindelijk winst. Wat voor soort stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk wanneer er geen winst meer te maken valt, en hoe kunnen we lagere middenklasse de permanentie geven van eigenaarschap, zonder hierbij terug te vallen in speculatieve exploitatie van grond? Deze vragen liggen dan ook ten grondslag aan het collectief PERMANENT waar ik samen met andere Brusselse kunstenaars onderdeel van uitmaak. Mede-initiatiefnemers Rob Ritzen en Wouter De Raeve: ‘Veel kunstenaars zwerven al ettelijke jaren van tijdelijk gebruik naar tijdelijk gebruik. Dat maakt het onmogelijk om een duurzame relatie op te bouwen met een plek. Bovendien worden kunstenaars opgezet tegen andere precaire groepen (zoals krakers en ongedocumenteerde mensen red.) die ook nood hebben aan ruimtes maar nauwelijks kans maken bij open calls voor tijdelijk gebruik. Hoe kunnen we onszelf uit de tijdelijkheid redden en anderen hierin meenemen? Hoe kunnen we ons symbolisch kapitaal inzetten om een meer inclusieve stad te maken?’[13] PERMANENT gaat hiervoor een samenwerking aan met Community Land Trust Brussels, het Brusselse departement van een wereldwijd model waarbij de stenen/gebouwen worden gekocht door bewoners, maar de grond eigendom blijft van een fonds waardoor de prijs hiervan niet kan stijgen. De bewoners, in het geval van PERMANENT dus zowel kunstenaars als groepen die nu in sociale woningstructuren van het kastje naar de muur worden gestuurd, hebben de voordelen van eigenaarschap zonder deel te nemen aan speculatieve waarde creatie. Zulke anti-speculatieve verhoudingen tot grond zijn noodzakelijk om de herhaling van koloniale praktijken in hedendaagse stedelijke processen een halt toe te roepen, zodat het floreren van niet-winstgevende levensvormen mogelijk wordt.
Fars coiffure (Wouter De Raeve)
Ondertussen zijn er in Brussel al vele initiatieven die de stedelijke structuur van Brussel in al hun moerassigheid erkennen, om deze te verstevigen in plaats van te onderdrukken. Een ode aan de fijnmazigheid van Brussel”, noemt kunstenaar Jozef Wouters zijn zomerfestival ‘something when it doesn’t rain’ in zijn ‘decoratelier’ in Molenbeek. Deze plek is zowel een kunstruimte als een safe space met extra aandacht voor de noden van 'kwetsbare' groepen en gemeenschappen. Engelstalige poëzie lezingen, clubavonden en modeshows bestaan hier naast sportklasjes voor vrouwen uit de buurt en de kapperszaak van Fars. Vanuit een kritiek op de top-down visies die de architecten op de Noordwijk projecteerden, begon Wouter De Raeve sportoefeningen te doen in het Maximiliaan park, samen met haar bewoners. Tijdens wat hij zelf ‘hanging out as spatial practice’ noemt, ontmoette De Raeve Fars in het Maximiliaan park. Fars stond in het park bekend om zijn kniptalent, maar de rondslingerende schaartjes en mesjes zorgden voor overlast voor de buurbewoners. In plaats van Fars’ ambitie in de kiem te laten smoren, besloot De Raeve zijn talent te stimuleren en hielp hij hem bij het opzetten van ‘Fars coiffure’. Geïnspireerd op het onderhoud van een permacultuur moestuin, doet hij zo een poging zich in te schrijven in de bestaande ecologie van het park. Vanuit dit ‘permaculturele lichaam’, onderzoekt hij vervolgens de noden, kwaliteiten en verlangens van de ‘ongehoorde stemmen uit de Noordwijk’, en stelt zichzelf vervolgens zo veel mogelijk in dienst van de realisatie hiervan.

"Ondertussen zijn er in Brussel al vele initiatieven die de stedelijke structuur van Brussel in al hun moerassigheid erkennen, om deze te verstevigen in plaats van te onderdrukken."

Het verzet van de Inheemse groepen in de verhalen van Borcila en Carlson, uit zich door te laten zien dat het moeras helemaal niet ongerept en onderontwikkeld was, maar dat er millennia aan kennis en overdraagpunten en paadjes en bewoningen aanwezig zijn in het overstroomde land. Hedendaagse westerse kunstpraktijken doen het moeras alleen eer aan als ze ook naar haar menselijke bewoners luisteren. Uit hun ervaringen en verhalen volgt de verantwoordelijkheid om de moerasmetafoor te gebruiken voor het ontmaskeren en bestrijden van hedendaagse vormen van drooglegging – helaas nog alom aanwezig in onze stedelijke realiteit.

ArtEZ studium generale werkt het komende halfjaar samen met online kunstmagazine Mister Motley en gaat in gesprek met studenten, kunstenaars en denkers over klimaatafbraak, eigendom, territorium en kolonialisme waarbij het onderwerp land het uitgangspunt vormt. Kunnen wij begrijpen hoe we in de huidige precaire situatie terecht zijn gekomen? Wat betekent ‘eigendom’ voor onze relatie met elkaar en het land? En welke rol speelt de taal als afspiegeling van onze omgang met elkaar, de natuur en de aarde? Kunnen kunst en verbeelding helpen in het ons voorstellen van andere werelden? Samen hopen we tot nieuwe inzichten en acties te komen om onze aarde te behouden.

Lees hier het eerste essay 'Onpeilbaar' uit de reeks LAND van Fiep van Bodegom

Notes

[1] Megan Bang, Lawrence Curley, Adam Kessel, Ananda Marin, Eli S. Suzukovich III & George Strack (2014) “Muskrat theories, tobacco in the streets, and living Chicago as Indigenous
[2]Thomas W. Kuyper – het moeras – een geologische benadering, nY42, 2020, p.132
[3]Lietje Bauwens – Nieuwe ecologieën voor de zintuigen, in gesprek met Didier Debaise, nY42, 2020, p.104
[4]Andrea Carlson en Rozalinda Borcilā – Mashkiig: Een Anishinaabe (post)Acopalyps, vertaald door Lietje Bauwens, nY42, 2020, p15
[5]Andrea Carlson en Rozalinda Borcilā – Mashkiig: Een Anishinaabe (post)Acopalyps, vertaald door Lietje Bauwens, nY42, 2020, p. 29
[6]Andrea Carlson en Rozalinda Borcilā – Mashkiig: Een Anishinaabe (post)Acopalyps, vertaald door Lietje Bauwens, nY42, 2020, p. 21
[7]oudgriekse figuur voor oermoeder/aarde
[8] Lietje Bauwenshet moeras als inter-face, een gesprek met Kristupas Sabolius
[9]Jonathan L. Wharton – Gentrification; the new colonialism of the modern era, Forum on Public Policy: A Journal of the Oxford Round Table, 2008, p. 10
[10] Jonathan L. Wharton – Gentrification; the new colonialism of the modern era, Forum on Public Policy: A Journal of the Oxford Round Table, 2008, p.7
[11] Genfrification: the New Colonialism in the modern era, p. 8
[12] vrije vertaling van: De Raeve, W – Fars Coiffure, WHOSE FUTURE IS HERE? SEARCHING FOR HOSPITALITY IN BRUSSELS NORTHERN QUARTER, ARCH, Metrolab series, p. 181
[13]Lietje Bauwens en Els Silvrants-Barclay – Ruimte voor kunst en andere stedelijke fantasieën