Lara Staal over de staat van het manifest op Mister Motley

‘Wij kinderen van het postmodernisme ervaren al snel een ongemak bij het lezen van het taalgebruik waaruit zelfvertrouwen en geloof in de toekomst spreekt. Het postmodernistische principe dat er altijd meer dan één waarheid bestaat, heeft van ons mensen doorgewinterde twijfelaars gemaakt.’

Lara Staal schrijft over de staat van het hedendaagse manifest op Mister Motley, een artikel dat is voortgekomen uit het programma Revolte. Lees meer op http://www.mistermotley.nl/art-ev…/de-staat-van-het-manifest

Lara Staal

Ole Nieling vlogt: Rhythm

Voor Revolte hebben we studenten, docenten en alumni verzameld wiens werk raakt aan de thematiek van ons project. Alumnus Ole Nieling (Fine Art/Media AKI ArtEZ) maakte speciaal voor studium generale een serie vlogs over zijn werk.

In 2016 I spent 6 months in Norway, discovering what it is to be a modern human in an old environment. Chapter 3 delves into matters of rhythm: What influence can the rhythm of an environment play upon us humans?

Ole’s cabin is now in Belgium at the Verbeke Foundation. The opening is on November 12 and it will stay there for six months. In 2018 the cabin travels to Het Kunstgemaal in Bronkhorst, where it will become a micro residency.
You can visit my website at www.ole.wtf

Check out Simon Harvey’s book on Smuggling:
http://amzn.to/2grXHnW

Why Zebras Don’t Get Ulcers: The Acclaimed Guide to Stress, Stress-Related Diseases, and Coping – Robert M. Sapolsky
http://amzn.to/2gVJ90A

Lawyers, Liars, and the Art of Storytelling: Using Stories to Advocate, Influence, and Persuade – Jonathan Shapiro
http://amzn.to/2gsNPut

The Happy Hypocondriac – Don. Herold
http://amzn.to/2xVswHT

 

Ole Nieling vlogt: Loneliness

Voor Revolte hebben we studenten, docenten en alumni verzameld wiens werk raakt aan de thematiek van ons project. Alumnus Ole Nieling (Fine Art/Media AKI ArtEZ) maakte speciaal voor studium generale een serie vlogs over zijn werk.

In 2016 I spent 6 months in Norway, discovering what it is to be a modern human in an old environment. Chapter 2 revolves around Loneliness: Our surroundings define us but into what dimensions do they control us also?

 

You can visit my website at www.ole.wtf

 

Robinson Crusoe – Daniel Defoe http://amzn.to/2yv00Pu

Nausea – Jean Paul Sartre http://amzn.to/2gqkODb

Savage Girls and Wild Boys: A History of Feral Children – Michael Newton http://amzn.to/2xMc64B

No Place to Hide: Edward Snowden, the NSA, and the U.S. Surveillance State – Glenn Greenwald http://amzn.to/2zw0S6m

Ole Nieling vlogt: Degeneration

Voor Revolte hebben we studenten, docenten en alumni verzameld wiens werk raakt aan de thematiek van ons project. Alumnus Ole Nieling (Fine Art/Media AKI ArtEZ) maakte speciaal voor studium generale een serie vlogs over zijn werk.

Ole Nieling ging in 2016 voor een half jaar op uitwisseling naar de Noorse Kunstacademie in Trondheim. Het dunbevolkte ruige Noorwegen trok hem aan als geschikte plek om de relatie mens – natuur te onderzoeken. Ole ging niet op de campus wonen, nee, hij ging midden in de bergen kamperen, in een zelfgebouwde hut. Op tweeënhalf uur lopen van de bewoonde wereld. Hartje winter. Brrr.

Bekijk zijn 1e vlog, met fascinerende beelden van de Noorse bossen:

Chapter 1: Degeneration:

 

http://www.ole.wtf/about/

Revolutie. WTF

picture: John Baldessari

Voor Revolte hebben we studenten, docenten en alumni verzameld wiens werk of interesses raakt aan de thematiek van ons project. Docent Luna van Loon laat haar licht schijnen over thema revolutie.

Revolutie. Interessant. Belangrijk ook. Goed thema. Kunst en revolutie zijn als het ware voor elkaar gemaakt. Toch?

Het zijn krachten die elkaar tot grote hoogte kunnen opstuwen. De één doelgericht en nietsontziend, de ander mysterieus, ongrijpbaar maar minstens zo gevaarlijk en aantrekkelijk. De kracht van hedendaagse kunst lijkt besloten te liggen in haar autonome, subversieve en visionaire potentie. De kracht van kunstenaars in de weigering om het keurslijf (dat de maatschappij (whatever that may be), de buren, de reclamewereld, Walt Disney, de traditie of wie weet: de vrijmetselaars en de Roteryclub) voor de brave burgerman en vrouw uitgerold aan te trekken.

Uit de pas lopen, out of the box denken, de geest de vrije loop laten, verbeelding voorbij de verbeelding. De ware kunstenaar laat de geneugten van Centreparks, de vrijmibo, de doorzonwoning, de twee kinderen en de Golden Retriever, de zegeltjes van de AH en wasverzachter voor wat het is. De vrije kunstenaar verkiest een spartaans bestaan omwille van het hogere. Wat dat hogere is, ach, dat doet er eigenlijk niet zo toe. Dat is een van de mysteries die alleen de kunstenaar zelf kent en waar zijn of haar armoede het bewijs van is. Want, zo wil de mythe en de praktijk: kunstenaars zijn arm. En die vrijwillige keuze voor armoede en bestaansonzekerheid moet wel ingegeven zijn door een even ongrijpbaar als diepgevoeld enigma, waar de ware kunstenaar ten alle tijden mee in contact is. Toch?

Die keuze voor armoede en bestaansonzekerheid ademt een zekere romantiek uit. De gearriveerde kunstenaar die zich met graagte laat uitnodigen door het koninklijk paar, om daar aan te schuiven bij een zogenaamd ‘creatief diner’ wordt met argwaan en stiekeme (door jaloezie ingegeven) minachting bekeken. Het is een schisma, het schisma van ‘the winner takes it all-nijd’.

What do you mean what does it mean? – Anthony Burril

Het zijn zomaar wat gedachtes, wat clichés zo je wilt, die ik uit m’n toetsenbord ram ter introductie van iets triviaals: namelijk de wens om te begrijpen waar m’n ergernis en verwarring met betrekking tot het thema Revolutie vandaan komt. Het is de ergernis van de slang die in z’n eigen staart blijkt te bijten: mijn eigen wens om authentiek, onafhankelijk, creatief en kunstzinnig of in ieder geval Anders te zijn, is zo voorspelbaar, cliché, afhankelijk van erkenning door anderen en voor de hand liggend, dat het me stoort. Dat is de grond onder de ergernis die ik voel bij het (door het voor mij toch belangrijke instituut ArtEZ) gekozen thema: Revolutie. Revoluties zijn controversieel, kunst is controversieel. Zet wat controversiële iconen op een podium en laat ze bewonderend en ondervragen door controversiële kunstenaars in wording en Hoppa. Klaar. Goed bezig.

Maar ook die constatering is een cirkelredenering: om te ontsnappen aan het cliché, wil ik het cliché benoemen, zo niet vermorzelen. Met mijn onafhankelijke geest becommentarieer ik het thema maar met m’n commentaar lever ik geen enkele wezenlijke bijdrage. Kritiek leveren vanaf de zijlijn is gemakkelijk. Is er meer dan dat?

Ja, wellicht. Een laagje dieper jaagt het thema me angst aan. Wordt er iets van me verwacht? Moet ik achter m’n toetsenbord vandaan komen. Moet ik de afwas, de deadline, de bijbaan, het avondeten achter me laten? Moet ik de straat op? Scanderen dat de revolutie is begonnen. Roepen dat we (waar zijn de anderen?) het niet langer pikken? Dat het genoeg is geweest?

Redenen te over: de zeeën en oceanen veranderen in een plasticsoep,de aardkloot (waar we het toch mee moeten doen) warmt langzaam op, bejaarden vereenzamen, vrouwen staan nog steeds op 3-0 achterstand waar het lichamelijke integriteit betreft. Het stikt van de corrupte, dan wel ronduit egocentrische, haatdragende en racistische politici die op wereldniveau de dienst uitmaken, steggelend over wie het meest te zeggen heeft over wie. Er is sprake van een dreigende kernoorlog, die me, de jaren tachtig indachtig (Ban de bom), bijna karikaturaal overkomt. Ik voel ten opzichte van dit alles vooral de kikker uit die Chinese mythe: mijn badwater warmt langzaam maar gestaag op, zo langzaam dat ik nauwelijks in de gaten heb dat ik levend gekookt wordt. En ondertussen blijf ik zitten waar ik zit.

Mijn houding met betrekking tot het thema Revolutie, die nogal blasé is, plaatst me voor een aantal raadsels. Ik ontwaar een zekere passiviteit, die grenst aan cynisme: ‘wat heeft het voor zin?’. Gecombineerd met egoïsme en luiheid: ik kan het net opbrengen om wat regeltjes te typen, maar eigenlijk heb ik meer zin om een serie te kijken, aan gevuld met bier en de inhoud van de koelkast….En (dat is misschien nog wel het grootste raadsel) ik schaam me er niet eens voor. Nog niet een beetje.

Bij revoluties denk ik aan grootse en meeslepende bewegingen in het verleden, of elders. Aan grote woorden als ‘Verlichting’, en Volksverheffing, aan ‘Socialisme, Kapitalisme en Communisme’. Maar dat is al geweest. Het is gebeurd. We zijn nu hier. En ja, er is allerlei onrecht. Maar dat is niet mijn schuld. En wat kan ik nu helemaal doen? Wie ben ik om ergens ver weg te gaan vertellen wat rechtvaardig en goed is. Ik twijfel, dus ik besta (Ja, dat is Descartes).

fragment van Lotterysellers – Jan Hoek

Ik kan lezen, ik kan schrijven, ik kan tot op zekere hoogte m’n eigen gedachten vormen en desgevraagd commentaar leveren. Laat me toch. Dan doe ik de afwas, stop het kind in bed, trek de koelkast open en kijk een serie. Bij voorkeur een serie waar strijden gestreden worden die niet de mijne zijn (iets met maffia, drugs, pistolen en marteling) maar waarbij ik niettemin iets voel. Sympathie voor de bad guy die desalniettemin oprecht is in de liefde voor zijn vrouw, trouw is aan zijn vrienden en witheet wordt als z’n dochter onheus bejegend wordt. Heerlijk: er is allerlei shit, we rommelen allemaal wat aan, met of zonder guns, maar uiteindelijk zijn we allemaal gewoon maar mensen, met gewone verlangens, gewone dilemma’s, behoefte aan warm eten, een warm bed en mensen om ons heen die ons vertellen dat het oké is, alle knagende onrust om grote, dan wel kleine, problemen ten spijt.

Is daarmee alles gezegd? Nee.

Ok, ik kan accepteren dat ik ook maar gewoon een mens ben, met zeer voor de hand liggende wensen en verlangens. Maar ik heb ook een zeker rechtsgevoel, een zekere ethiek en notie van het geluk te zijn geboren in het relatief welvarend deel van de wereld. En een vaag idee dat ik misschien de wereld niet kan redden, maar toch een bijdrage kan leveren.

Hoe? Tsja. Mijn idee van een revolutie mag dan vaag en clichématig zijn: ik heb wat beelden van studentenopstanden, helden, die bereid zijn omwille van een ideaal van alles en nog wat op te offeren, geweld te trotseren, en daar komt de analogie weer: omwille van een hoger doel af te zien van comfort, het burgerlijke bestaan, om me te wijden aan een door een enigma ingegeven hoger doel: de Kunst, de Revolutie…. Als de mate waarin ik bereid ben offers te brengen de meetlat is, waarlangs mijn toewijding aan de kunst wordt gelegd, dan ben ik een matig kunstenaar.

Ik hecht te veel waarde aan m’n kind, m’n huis, m’n pinpas en m’n dagelijkse rituelen om de straat op te gaan, om de onrechtvaardigheid in de wereld van de daken te schreeuwen. Ik mis de kracht, de durf en misschien ook wel de wanhoop, of naïviteit om de volgende revolutie te verkondigen. Daarbij vrees ik, door het gebrek aan op afroep beschikbare medestanders, als schizofreen versleten te worden.

Wat ik wel kan doen: het teveel aan eigen passiviteit, cynisme en luiheid registreren, ontstijgen en me laven aan diegenen die het podium wel durven te betreden. Wellicht hoor ik, met mijn kritische onafhankelijk geest, allerlei clichés, die ik met wat logische en analytische denktrucs met gemak af kan kachelen. Maar wie weet hoor ik ook iets nieuws. Een gedachte, een actie, een manier van spreken en zijn, die me kan inspireren. Die me verder brengt dan m’n eigen cirkelredeneringen. Al is het maar een millimeter. Want een cirkel die maar een millimeter uit de bocht gebracht wordt, kan nog wel eens tot grote hoogte stijgen….

Miranda July – Lucie Young

It Won’t Be Long Now, Comrades!

Framer Framed is een platform voor kunst en cultuur, met een expositieruimte in de Tolhuistuin in Amsterdam. Framer Framed presenteert
It Won’t Be Long Now, Comrades!, een groepstentoonstelling die samenvalt met de 100e verjaardag van de grote socialistische Oktoberrevolutie in Rusland. Geografisch gezien richt de tentoonstelling zich op landen die direct beïnvloed zijn door de Oktoberrevolutie (en het daarop volgende communistische regime). It Won’t Be Long Now, Comrades! verkent de mogelijke emancipatorische kracht van revolutie en verzet in deze postcommunistische regio’s – vaak in het licht van de complexe geschiedenis van deze gebieden.

Vandaag de dag is er veel scepsis ten opzichte van revoluties – men gelooft dat ze gedoemd zijn om te falen, of dat ze bepaalde situaties verergeren. In deze tentoonstelling wordt de gebruikelijke focus op dit falen vermeden. In plaats daarvan wordt gekeken naar de vaak als vanzelfsprekend beschouwde rechten die in de revoluties van het verleden hard bevochten zijn, en de potentie van revoluties in het heden om toekomstige verandering teweeg te brengen. Ook vormt de tentoonstelling een verkenning van de moeilijke maar belangrijke taak van zelforganisatie en het overbruggen van verschillende strijdpunten en meningen bij het opzetten van politiek-maatschappelijke burgerinitiatieven.

Zogenoemde ‘postcommunistische’ gebieden hebben in de loop van de 20ste eeuw te maken gekregen met veelvoudige, snelle veranderingen in regime- en staatsvorming. Plotselinge verschuivingen van het communisme naar het ongebreidelde neoliberale kapitalisme en later naar nieuwe, meer hybride vormen hebben geleid tot een snelle verandering in nationale waarden en ideologieën. Dit kan mogelijk als leermiddel dienen en alternatieven opwerpen voor het huidige Westerse neoliberalisme.

Door de geschiedenis en huidige situaties van verschillende postcommunistische landen te verkennen, proberen de kunstenaars en curatoren van It Won’t Be Long Now, Comrades! antwoord te krijgen op een reeks relevante politieke vragen. Hoe organiseer je politieke besluitvorming van onderop? Waar ligt de politieke macht, en hoe kan deze (opnieuw) worden opgeëist? Hoe kunnen verschillende, soms tegenstrijdige meningen op een gelijkwaardige manier onderdeel worden van een revolutionair idee, waarbij verschillende complexe en urgente standpunten worden gecombineerd? Wat kunnen we van het verleden leren over de revolutionaire mogelijkheden van vandaag de dag?

DEELNEMENDE KUNSTENAARS
Željka Blakšić aka Gita Blak, Irina Bucan, Gluklya / Natalia Pershina-Yakimanskaya, Nikita Kadan, Tigran Khachatryan, Andreja Kulunčić, Marge Monko, Nikolay Oleynikov, Agnieszka Piksa, Karol Radziszewski, Mykola Ridnyi, Tereza Stejskalová en Zbyněk Baladrán

De mythe van revolutionaire kunst

Voor Revolte hebben we studenten en alumni verzameld wiens werk raakt aan de thematiek van ons project. Max Urai, alumnus Creative Writing, heeft een prachtig en prikkelend essay geschreven.

In 1995 kwamen een paar mensen die in de jaren ’50 voor de CIA hadden gewerkt ervoor uit dat het bureau destijds geld had gegeven om exposities van abstract expressionistische schilders te bekostigen. Er gingen al tijden geruchten dat dit het geval zou zijn, maar toen werd het bevestigd. Het geld werd verspreid over een aantal instanties, die het weer via-via doorgaven, maar de naam die het vaakst wordt genoemd is die van The New American Painting, een tentoonstelling die in 1958 en 1959 door Europa reisde en daar de stijl introduceerde.

Het geld moest zo onderhands worden gedoneerd omdat de meeste schilders in de expositie niks moesten weten van de Amerikaanse overheid. Ze zagen zichzelf als kettingrokende, macho rebellen, James Deans met kwasten, die niet in het conformistische Amerika van Eisenhower pasten en hun exploderende emoties alleen kwijt konden door verf tegen doeken te smijten. Mark Rothko noemde zichzelf een anarchist. Barnett Newman ging een stap verder en schreef een voorwoord voor een boek over anarchisme van Peter Kropotkin. De rest was een spectrum van allerlei soorten linkse types, die het anti-communisme van de CIA verafschuwden, in interviews en in hun werk.

Dus waarom gaf de CIA geld aan mensen om in het buitenland tegen de CIA te ageren? Omdat een groot deel van de buitenlandse politiek van de VS er destijds uit bestond om het “internationale communisme” te verslaan, in al haar verschijningsvormen. Het socialistisch realisme, dat sinds1934 de officiële stijl van de Sovjet-Unie was, vereiste kunstenaars om weinig te experimenteren en de “gedeelde waarden” van de staat uit te dragen. In de VS werden op diezelfde manier filmmakers vervolgd om hun vermeende “anti-Amerikaanse praktijken”, maar de regering kon door hun standpunt kapitalisme = persoonlijke vrijheid niet op grote schaal kunstenaars censureren. Dus besloten ze de kritische kunst van die tijd te gebruiken als PR-materiaal. Door geld te investeren in exposities van mannen als Willem de Kooning, Jackson Pollock en Rothko konden ze de boodschap uitdragen dat je in de VS als kunstenaar kon doen waar je zin in had, wat voor de Europese intelligentsia en kunstenaars, die destijds net zo links waren als nu, een stuk aantrekkelijker was dan het vooruitzicht om de rest van hun leven tractors te schilderen.

(Dit geldt trouwens niet alleen voor de beeldende kunsten: diezelfde CIA heeft ook geld gegeven aan The Paris Review. Het is zo’n literair tijdschrift dat voor een groot deel bepaalt wat goede fictie is, en het heeft de carrières van aardig wat Amerikaanse schrijvers in die tijd geholpen. Net als in de beeldende kunst is de Nederlandse literatuur de laatste vijftig jaar steeds meer naar de Angelsaksische traditie gaan neigen, en minder naar bijvoorbeeld de Duitse. Het komt er op neer dat een groot deel van de boeken die ik en mijn klasgenoten bij Creative Writing aangereikt kregen als nastrevenswaardige fictie de seal of approval van J. Edgar Hoover met zich meedroegen.)

Niks aan dit alles maakt de kunstenaars in dit verhaal hypocriet. Wat het voor mij vooral laat zien is dat kunst die zich afzet tegen een norm, of die zich zelf expliciet uitspreekt tegen een politiek systeem, niet per se schade doet aan dat systeem. Soms kan het de mensen met macht zelfs PR bezorgen waar ze anders nooit toegang toe hebben gehad.

Ik weet niet of dit soort samenzweringen tegenwoordig nog steeds bestaan. Op een belangrijke manier doet het er niet eens toe. De macht die overheden hadden in de jaren ’50 is voor een belangrijk deel overgenomen door (Amerikaanse) multinationals, en die zijn nog veel beter gebleken in het gebruikmaken van revolutionaire kunst dan de CIA ooit was.

Dit punt werd voor mij deprimerend duidelijk toen ik in de H&M een t-shirt zag hangen met in blokletters THIS IS WHAT A FEMINIST LOOKS LIKE erop. Ik heb me in de afgelopen jaren veel beziggehouden met feministische kunst en gemerkt hoe termen als “woke” en “intersectionaliteit” naar het politieke midden waren gedreven. Er was ooit behoefte aan die termen om een oprechte bezorgdheid en woede van heel veel vrouwen uit te kunnen spreken, maar inmiddels waren ze veranderd in een soort shibbolet van niet zozeer een gemeenschap als wel een doelgroep. De meest ontmoedigende ironie is dat de t-shirts van de H&M waarschijnlijk zijn gemaakt door dezelfde vrouwen op een letterlijk hongerloon die tien jaar geleden de shirts met SUPER BABE erop maakten. Opkomen voor vrouwenrechten, nu met alle uitbuiting van vrouwen die je gewend bent.

Wanneer mensen behoefte hebben aan woke dan levert de H&M woke producten. De hypocrisie hiervan blijft natuurlijk niet onopgemerkt, maar als het gaat om feminisme en antiracisme zijn multinationals altijd opmerkelijk bereid geweest om mee te gaan in wat er van ze gevraagd wordt. Het is immers voor de structuur van het bedrijf geen grote ingreep om een paar vrouwen of mensen van kleur aan te nemen, zolang ze maar net zo goed als hun witte mannelijke voorgangers de sweatshops kunnen runnen.

Ik noem feminisme hier omdat het de manier is waarop veel jonge mensen met politiek bezig zijn, maar dit geldt in principe voor elke soort revolutionair principe. Het gaat niet lang duren voordat de eerste t-shirts met BLACK LIVES MATTER in de Primark te koop zijn. Revoluties zijn sexy, en dat leidt ertoe dat elke aanzet tot een revolutie door mensen met macht gebruikt kan worden om hun punt over te brengen, zelfs als de revolutie zich expliciet tegen precies die mensen richt. (Dit is de reden dat een groep Black Lives Matter-leiders weigerden om naar het Witte Huis te gaan om met Obama te spreken: ze wilden niet het risico lopen dat hun beweging zou worden gebruikt door de overheid om “legit” over te komen.)

We praten vaak over kunst op dezelfde manier dat we over politiek praten. Als we de werken van Pollock en Rothko “revolutionair” noemen zien we een werk voor ons dat iets totaal nieuws deed, dat over de hele wereld de monocles af deed ploppen, en dat, net als de iPhone, alles veranderde. Veel kunstgeschiedenissen van de laatste pakweg 200 jaar zijn opgeschreven als een doorlopende reeks van dat soort omwentelingen: eerst de pointillisme, toen de impressionisten, dan de expressionisten, popart, punk, en als laatste waar Banksy zich dan ook mee bezighoudt[1].

Maar ergens na de Tweede Wereldoorlog lijken de metaforen in elkaar te zijn overgelopen en hebben we vaak onuitgesproken aanname opgedaan dat een werk dat artistiek revolutionair is ook politiek revolutionair is. Je ziet dit het beste in de manier waarop over het werk van types als Robert Mapplethorpe en Kenneth Anger wordt gesproken: het wordt baanbrekend en taboedoorbrekend genoemd, iets wat eigenlijk niet kon en daarmee de weg vrijmaakte voor nu, een tijdperk waarin alle problemen met homorechten in het Westen zijn opgelost.

Naomi Klein stipte dit al aan in haar klassieker No Logo. Nadat ze haar tienertijd had besteed aan post-punk en vroege grunge schrijft ze op haar dertigste: ‘In retrospect, a central problem was the mostly unquestioned assumption that just because a scene or style is different (that is, new and not yet mainstream), it necessarily exists in opposition to the mainstream, rather than simply sitting unthreateningly on its margins. Many of us assumed that “alternative” – music that was hard to listen to, styles that were hard to look at – was also anticommercial, even socialist.’ Wat er gebeurde is precies hetzelfde als met de t-shirts van de H&M: de stijl van de grunge werd overgenomen door bedrijven als Vans en MTV; de (feministische, do-it-yrself) politiek van de stroming werd grotendeels vergeten.

Dit is wat ik bedoel met de mythe van revolutionaire kunst. Door de verwachting dat kunst inherent politiek progressief is wordt vernieuwende kunst vaak ontvangen als een politieke doorbraak, terwijl het in werkelijkheid vaak moeiteloos wordt overgenomen door trend-hunters en dat soort creeps om petjes mee te verkopen.

We bevinden ons daardoor in de vreemde situatie dat er van kunst wordt verwacht van dat het subversief is, zonder dat het daadwerkelijk veel effect heeft. Zoals al eerder gezegd heeft dit enorm veel opgeleverd voor bedrijven en overheden. (Denk aan het bezoek van Obama aan Nederland, een paar jaar geleden. Waar werd hij het eerste heen gestuurd om de glorie van Holland te zien? Niet de Deltawerken. Het Rijksmuseum.)

Maar tegelijkertijd zou het hypocriet zijn om te ontkennen dat kunstenaars het beeld van zichzelf als een soort profetische avant-garde omarmt hebben. Het heeft ze een hoop prestige, subsidie en seks opgeleverd. De waarheid is natuurlijk dat er niks is aan schilderen, dansen of dichten dat het inherent politieker maakt dan borduren – dat is alleen een culturele verwachting.

Omdat de politieke wereld de laatste twee jaar five ways bananas is gegaan wordt er nu meer dan in een lange tijd van kunstenaars verwacht dat ze hun sociale engagement laten kennen. Ik wil hierbij opmerken dat engagement op basis van iets als een Brexit enigszins merkwaardig was – hadden we, als kunstenaars, zoiets niet aan moeten zien komen door onze helderziende kunstenaarsblik? En hebben we echt behoefte om te gaan praten met de varkensboeren van York, of voelen we ons alleen maar verplicht omdat er nu eenmaal van ons wordt verwacht dat we geëngageerd zijn?

Het tweede dat ik wil opmerken is dat ik vermoed dat een appèl op “sociale verantwoordelijkheid” de komende jaren net zoiets gaat worden als wat de belofte van “exposure” tien jaar geleden was: een manier om kunstenaars niet te betalen (grap die ik ergens las: Artist Dies Of Exposure). Begrijp me niet verkeerd: als kunstenaar samenwerken met activisten is Een Goed Ding. Maar als een organisatie of een instelling je vraagt om voor weinig geld ergens aan mee te doen is er ook de kans dat het artistieke aura van jouw kunst willen gebruiken om hun politieke platform te legitimeren, en dat zijn platformen waar ze soms verdomde veel subsidie voor kunnen krijgen.

Het irritante is dat het ook zo is. We willen ook echt iets betekenen, net zoals we ook echt willen dat ons werk “exposure” krijgen. Kunstenaars zijn net zo idealistisch als dat ze narcistisch zijn, en dat maakt het erg makkelijk om ons te ronselen.

Dit stuk is niet bedoeld als ontmoediging. Meer als een oproep om na te denken over hoe je precies iets wilt bereiken door middel van je kunst. Als je het op wilt nemen tegen een individu op een groep met je kunst, vraag je dan af hoeveel het ze echt boeit als er ergens in een galerie of in een boekwinkel iemand ze aan het afvallen is. Denk na over hoe je ze wél kan dwarszitten. Er zijn kunstenaars die dit momenteel uitzonderlijk goed doen. Tinkebell is wat mij betreft een lichtend voorbeeld voor iedereen die activistische kunst wil maken in Nederland. Maar ga er niet te makkelijk van uit dat door iets nieuws te maken, je ook automatisch iets maakt dat de structuren van macht dwarszit. Kunst is, door de ambiguïteit die we er zo aan waarderen, erg makkelijk in te zetten op manieren die die macht precies in stand houdt.

En vergeet ook niet dat er altijd de mogelijkheid is om werk te maken dat zich niet expliciet politiek uitspreekt en daarnaast als activist te werken. Er is zelfs een goede kans dat je daar een stuk meer mee bereikt.

Max Urai (1991) is een globalistische bèta snowflake die net is afgestudeerd aan Creative Writing in Arnhem. Veel van de ideeën in dit essay zijn afkomstig uit het al eerder genoemde No Logo van Naomi Klein. Twee andere denkers die belangrijk zijn geweest voor dit stuk zijn goeie oude Noam Chomsky en Yasmin Nair, en vooral haar fantastische stuk “Make Art! Change the World! Starve!”, dat je hier kunt vinden. Als je deze blog interessant vond ga je haar fantastisch vinden.

[1]    Mijn lief was laatst naar een Banksytentoonstelling in Amsterdam, die eindigde in een gift shop waar je magneetjes en alles kon kopen. Ik weet niet eens of het nog de moeite is om te benoemen hoe ironisch dit is.

Revolutie, een tricky business

Op de Documenta 14, locatie Neue Neue Galerie viel Irena Haiduk op met haar modeshow van vormeloze Oostblokkleding. De schoenen van haar label Yugoexport gingen als warme broodjes over de toonbank. Dit ondanks of dankzij het koopcontract dat bepaalt dat de sleehakken alleen tijdens het werk gedragen mogen worden. Een ander anachronisme was het verbod op het maken van opnames. Bezoekers die gewend waren om alles met hun smartphone of fototoestel vast te leggen, kregen van de mannequins de spreekwoordelijke tik op de vingers.

Bij een deur verzamelden zich mensen en ik sloot mij aan zonder te weten wat mij te wachten stond. Ik was de laatste van de 25 personen die naar binnen mochten. We konden plaatsnemen op ligstoelen en de ruimte werd verduisterd. Zo maakte ik kennis met een geluidswerk van Irena Haiduk. Seductive Exacting Realism was een interview met één van de oprichters van CANVAS, Srđa Popović. Hij is een voormalig lid van Otpor!, de beweging van jongeren die dictator Milošević ten val wisten te brengen en hun revolutionaire knowhow naar Georgië, Oekraïne en de Arabische wereld exporteerden.

Eén van de vragen die Irena Haiduk in haar werk opwerpt: zijn deze geweldloze revoluties niet een kolfje naar de hand van de neoliberalen (dictatuur omverwerpen = nieuwe afzetmarkt + nieuwe goedkope arbeidskrachten)? Fijntjes laat Irena Haiduk weten dat het onderzoek dat Srđa Popović aan de universiteit van Harvard verricht door het bedrijfsleven wordt gesponsord…

CANVAS heeft een handboek voor het maken van een revolutie en een syllabus voor studenten:
handboek: http://canvasopedia.org/wp-content/uploads/2015/08/50-Crucial-Points-web.pdf
syllabus: http://canvasopedia.org/wp-content/uploads/2015/08/CANVAS-Core-Curriculum_EN.pdf

Hoe gebruik jij de ruimte?

Als je in Arnhem studeert heb je hem misschien weleens zien zitten, in zijn huisje. Henry Alles, theatermaker en student Master of Theatre Practices. Vanuit zijn huisje onderzoekt hij hoe de ruimte functioneert. Hoe gebruikers haar gebruiken. Volgens de regels of niet. Vrijer misschien.

In aanloop naar het programma Revolte verplaatst Henry Alles zijn onderzoek naar Enschede. Wat mag hier wel en wat niet? Is dit oké of moet het anders? Wat vind jij? Vanuit zijn eigen gebouwde huisje onderzoekt Henry de ruimtes van de AKI en het conservatorium in Enschede.

Als je in Enschede studeert kom je hem binnenkort dus tegen. Henry bivakkeert tijdelijk in het conservatorium (vanaf 16 oktober) en daarna een aantal dagen in de AKI (vanaf 6 november). Hij zal je aanspreken op hoe jij de ruimte gebruikt. En het liefst bouwt Henry, in samenwerking met studenten en passanten, aan een operateske performance, met een huisje, een orkest en mening. Om gezamenlijk een stem te geven aan de gebruikers van de ruimte.

Als je je geroepen voelt hier iets van te vinden – het is immers ook jouw ruimte – doe dan mee! Neem plaats, zing je protest, wees aanwezig, maak een statement. Op 9 november weten we of ArtEZ zijn ruimtes in Enschede wel goed gebruikt.

Klik hier voor meer info.