Tegen de hokjesgeest

Op verzoek van ArtEZ Studium Generale schreef filosoof Thijs Lijster (auteur van o.m. ‘De Grote Vlucht Inwaarts’) een verslag van het programma Lost in Transtion – Identity in a changing world, dat plaats vond op 16 maart 2017.
 

Op een prachtige, zonnige lenteochtend zit ik in de trein op weg naar Arnhem, waar zo meteen het symposium van ArtEZ Studium Generale, getiteld Lost in Transition. Identity in a Changing World, plaats gaat vinden. Terwijl ik blader door de krant – het is een dag na de Tweede Kamerverkiezingen en de krant staat vol met nieuws over de uitslagen – zie ik hoe actueel en urgent het thema is dat vandaag centraal staat. De vraag naar onze identiteit lijkt tegenwoordig een collectieve obsessie, in Nederland net zo goed als daarbuiten. Tijdens de verkiezingsdebatten ging het over weinig anders. Er waren politici die zeiden dat we ‘normaal’ moesten doen of anders maar moesten ‘oppleuren’. Er waren politici die graag zouden zien dat schoolkinderen iedere ochtend voor de les (staand!) het Wilhelmus aanheffen. Er waren politici die spraken van een ‘homeopathische verdunning van de Nederlandse cultuur’. Er waren politici die alle moskeeën willen sluiten en korans willen verbieden. Inderdaad, de wereld verandert en als gevolg daarvan lijken veel mensen wanhopig vast te willen houden aan wat ze kennen, aan wat ‘wij’ zijn. Maar wie zijn die ‘wij’, en wie heeft het recht of de macht om vast te stellen wie of wat daar wel en niet toe behoort?

Niet alleen op collectief en politiek niveau is identiteit een vraagstuk. Ook individueel lijken veel mensen te worstelen met de vraag wie ze zijn. “Wees gewoon jezelf”, zo luidt het advies dat we regelmatig gevraagd en ongevraagd te horen krijgen. Maar blijkbaar is dat toch nog niet zo gemakkelijk. Boekwinkels zijn gevuld met ‘zelfhulpboeken’ en je kan tegenwoordig geen tijdschrift openslaan of er staan tips in over hoe je moet zijn of worden wie je bent. We geven bakken geld uit therapeuten en coaches die ons helpen ‘gewoon’ onszelf te zijn, aan dure reizen waarmee we onszelf hopen te vinden, of aan spulletjes waarmee we onszelf kunnen onderscheiden van anderen.

Maar waarom zijn we eigenlijk zo bezig met onszelf? Wat zegt dat over onze tijd? En kunnen de kunsten ons misschien een handje helpen met het zoeken of vinden van onszelf, of ons juist een uitweg bieden uit onze zelf-obsessie? Op het eerste gezicht lijkt dat niet waarschijnlijk, want als je ergens tobbers, navelstaarders, narcisten en verwarde types tegenkomt, dan is dat toch immers wel onder kunstenaars? Zo is althans het beeld dat veel mensen van kunstenaars hebben. Maar dat beeld werd op die zonnige lentedag in Arnhem grondig ontkracht.

Identiteit als onderneming
Een voor de hand liggend antwoord op de vraag waarom we tegenwoordig zo met onze identiteit worstelen, is vanwege het verdwijnen van traditionele gemeenschapsvormen, de kerkgenootschappen, dorpsgemeenschappen, enzovoorts. Een eeuw geleden was het voor veel mensen immers zonneklaar wie of wat ze waren of zouden moeten zijn, omdat dat vanaf geboorte al was bepaald. Je werd geboren als katholiek of socialist, je werd timmerman omdat je vader timmerman was, en als vrouw diende je thuis voor de kinderen te zorgen. Modernisering en democratisering leveren een enorme vrijheid op om zelf te kiezen wie je wilt zijn, en globalisering en media openen onze ogen voor andere culturen. Maar tegelijkertijd is die vrijheid ook beangstigend, want je wordt vervolgens ook zelf verantwoordelijk geacht voor die keuzes.

De zelfhulpindustrie kan dan ook in de eerste plaats gezien worden als een reactie op die keuzestress. Bovendien sluit ze nauw aan bij de wijze waarop we tijdens de afgelopen decennia in de westerse wereld over de verhouding tussen leven en werk zijn gaan denken. Over deze ontwikkeling heb ik het ’s ochtends met de studenten tijdens de workshop die ik voorbereid heb samen met kunstenaar en naamgenoot Thijs Ebbe Fokkens. Onze persoonlijke identiteit lijkt steeds meer gedetermineerd te worden door het economisch systeem waarin we vandaag leven. Ons ‘zelf’ is een koopwaar of een onderneming geworden waarmee we de markt betreden: we investeren in ons ‘menselijk kapitaal’ door ons te scholen, op reis te gaan, of vrijwilligerswerk te doen. Zo ontwikkelen we onze ‘emotionele intelligentie’ en de 21st century skills waarmee we met anderen kunnen concurreren op de arbeidsmarkt. Zelfs over persoonlijke relaties praten we in termen van ‘investeringen’. Zo worden we allemaal een ‘Totaalmens’, zoals ik die in mijn boek De grote vlucht inwaarts beschreef: een persoon die leeft voor zijn werk, en voor wie de grens tussen werk en vrije tijd betekenisloos is geworden. En hoewel deze vervaging door velen met gejuich verwelkomd is (je hebt immers ‘van je hobby je werk gemaakt’), sluipt er tegelijkertijd een venijnige (zelf)exploitatie in: omdat je je volledig identificeert met je werk, omdat alles – zelfs persoonlijke ontwikkeling en relaties – in het teken staan van zo efficiënt mogelijk productie draaien, heb je nooit eens de mogelijkheid om ‘uit’ te staan, om niet te werken, of om iets betekenisvols te doen dat niet functioneel of nuttig is. Niet voor niets kampen we massaal met zelftwijfel, depressies, en burn-out klachten, iets waar later op de dag wetenschapshistoricus Trudy Dehue nog op zou terugkomen.

Uit de discussie blijkt dat velen zich in het verhaal herkennen. Bovendien blijkt het een verhaal dat juist ook op kunstenaars van toepassing is, want, zoals Pascal Gielen zegt: “De nieuwe modelarbeider is een soort kapitalistische karikatuur van de kunstenaar.
Hij is nomadisch, heeft geen negen-tot-vijfmentaliteit, denkt ‘out of the box,’ is multi-inzetbaar, beweegt van project naar project, kan van weinig leven en heeft de potentie om met geringe middelen iets te creëren.” Dat maakt hem of haar echter tegelijk extra kwetsbaar voor de genoemde zelfexploitatie.

Van te voren hebben we de studenten gevraagd om na te denken over ‘vormen van verzet’: hoe kunnen we ons verzetten tegen een dergelijke overheersing van het economisch denken, en hoe kunnen we – letterlijk – vorm geven aan dat verzet? De studenten komen met diverse oude en nieuwe voorbeelden, van dada en surrealisme tot street art en pussy hats. Ook Thijs Ebbe Fokkens noemt diverse voorbeelden in zijn presentatie, waarvan de meest opmerkelijke wel de Franse kunstenaar Abraham Poincheval is, die een week in een steen leefde (nadat hij eerder twee weken in een opgezette beer had gewoond). Vervolgens vragen we de studenten om na de pauze in groepen na te denken over vormen van verzet. Zoals we van te voren al een beetje verwacht hadden, besluit een groep zich tegen de opdracht zelf te verzetten en van het mooie weer te gaan genieten.

De andere groepen komen met bijzondere ideeën. Een groep zet het efficiency-denken nog wat extra aan met een ontwerp voor de ‘Totaalbaby’, die van nature stressbestendig is, en die uiteraard zonder moeder (die daarvoor immers haar carrière zou moeten onderbreken) ter wereld kan komen. Een andere groep stelt zich een wereld voor waarin arbeid niet meer nodig is omdat robots al het werk doen, waardoor mensen volstrekt lethargisch geworden; daarom hebben ze een soort sekte nodig om hun leven van betekenis te voorzien. Uit deze voorstellen blijkt eens te meer dat wat we doen in het dagelijks leven van groot belang is voor onze ideeën over wie we zijn, en voor onze eigenwaarde. Dat is precies waarom we – en kunstenaars wel in het bijzonder – zo kwetsbaar zijn voor nieuwe vormen van uitbuiting.

Geconstrueerde identiteit
We spreken tegenwoordig soms van een ‘fluïde’ of ‘geconstrueerde’ identiteit, waarmee dan bedoeld wordt dat onze identiteit geen vaste, diepliggende kern is, geen eenheid, maar ‘vloeibaar’, en dus voortdurend in beweging en aan verandering onderhevig. De suggestie is dan dat we een grote vrijheid hebben om onze identiteit zelf te ‘kiezen’ en te bewerken. Inderdaad, zoals hierboven al aangegeven biedt de moderne wereld veel mogelijkheden om je eigen pad te kiezen, om te worden wie je wilt zijn. De filosoof Nietzsche zei het al: “Wees meester en vormgever van jezelf”, en IKEA zegt het hem na: “Design your own life.”

Toch worden bij die gedachte tijdens het symposium ook de nodige kritische kanttekeningen geplaatst. In de eerste plaats moeten we de vraag stellen: wie construeert jouw identiteit precies? Doe jij dat zelf, of doen anderen dat samen met jou, of zelfs voor jou? Een simpel voorbeeld: toen ik in Arnhem aankwam, wist ik de weg niet vanaf het station, dus liep ik maar achter een groep meiden aan met kleurrijke jurken, blauwe haren en hippe tassen. ‘Jullie zijn vast op weg naar het ArtEZ congres’, zeg ik als ik ze inhaal bij een kruispunt. ‘Hoe weet u dat?’, vraagt er een verbaasd. Wat ik hiermee zeggen wil: ik identificeerde deze dames als kunststudenten, en hun uiterlijk fungeerde (in dit geval letterlijk) als een wegwijzer voor mij.

Dit is natuurlijk een onschuldig voorbeeld, maar het kan soms ook beklemmend of beperkend zijn om op die wijze, namelijk op basis van uiterlijke kenmerken, door anderen geïdentificeerd te worden. Een identiteit schept verwachtingen: jij bent een x, dus je zult wel y doen/vinden. Denk bijvoorbeeld aan het ‘etnisch profileren’ , dat onlangs nog een publiek debat opleverde nadat rapper Typhoon er de aandacht op vestigde. Een donkere man in een dure auto, dat is verdacht, omdat men kennelijk vermoedt dat die man niet op een eerlijke manier aan die auto is gekomen, of aan het geld om die te kopen.

Het identificeren begint al bij de geboorte, en nog voor we er zelf iets over te zeggen hebben: jongens moeten stoer zijn, meisjes schattig. In de promovideo voor het symposium noemt beeldend kunstenaar en genderactivist Julius Thissen gender een ‘taal’ die we allemaal, bewust of onbewust spreken, maar die we niet altijd even goed begrijpen. Hoewel we in een tijd leven waarin het ‘fluïde’ karakter van gender meer en meer bespreekbaar is geworden, levert dat bij sommigen ook onzekerheid en frustratie op – ben ik wel mannelijk/vrouwelijk genoeg? – en daardoor het benadrukken van de eigen gendernormen. Dat komt niet in de laatste plaats door de verwachtingen van mannelijk- en vrouwelijkheid die door diverse media worden geschapen. Zo laat mediawetenschapper Dan Hassler-Forest bijvoorbeeld zien hoe in Disneyfilms de prinsessen weliswaar vaak de hoofdrol spelen, maar stelselmatig minder regels tekst hebben dan hun mannelijke tegenspelers. Oftewel: meisjes mogen een mooie jurk aan, maar kunnen voor de rest beter hun mond houden.

Ook spoken word artist Donya Batta heeft het tijdens haar indrukwekkende voordracht die middag over de wijze waarop we van kinds af al aan in hokjes worden ingedeeld en hoe daar allerlei gedrag bij hoort. Over de letter ‘v’ in haar paspoort zegt ze: “Deze V kan mij net zo goed kruislings door mijn borst worden geslagen, want deze V is wat ik mijn hele leven zal moeten gaan dragen.” En dan was ze ook nog eens “te bruin” in ons land. “Maar ik ben het niet, ik ben verdomme gewoon mezelf,” aldus Batta, die zich in klare taal afzet tegen de hokjesgeest. In het programmaboekje stelt ze zichzelf voor als een “nongender, polyamoreuze queer, veganist”. Ook een vorm van identificatie, allicht, en misschien is het überhaupt wel onmogelijk om iemand te zijn zonder je met iets of iemand anders te identificeren. Maar in dit geval speelt Batta een spel met gebruikelijke en herkenbare identiteiten, een spel dat ons ook doet nadenken over onze eigen identiteit. Het is een sterk voorbeeld van de wijze waarop kunstenaars in opstand kunnen komen tegen vormen van identificatie.

Een ander sprekend voorbeeld, dat later die middag ter sprake komt in de lezing van kunstenaar Kapwani Kiwanga, is dat van de Koreaanse kunstenaar Nikki S. Lee. In haar Projects 1997-2001 infiltreerde ze diverse subculturen van New York, van latino skaters en punks tot bejaarden en academici. Ze maakte zich hun uiterlijke kenmerken, manieren en bewegingen eigen en liet zich vervolgens door toevallige voorbijgangers met hen fotograferen. Het fascinerende van dit project is ook weer de dubbele beweging van het enerzijds identificeren van een bepaalde groep of subcultuur, en het anderzijds deconstrueren ervan doordat Lee laat zien hoe ze die identiteit als een jas aan en uit kan trekken. Zo maakt ze ons andermaal bewust van het geconstrueerde karakter van onze eigen identiteit.

Identiteitspolitiek
Identiteit is niet alleen een individuele zoektocht of een sociaal gebeuren, maar ook een politieke kwestie. Dat bleek, zoals ik hierboven al noemde, al wel uit de verhitte verkiezingsstrijd over ‘de Nederlandse cultuur’. Al langer zijn identiteitskwesties hete hangijzers in het publiek debat: denk aan de politieke relletjes die uitbraken toen een bekende winkelketen ‘paaseitjes’ ineens ‘verstopeitjes’ ging noemen, of toen een onderwijsinstelling geen kerstbomen wilde plaatsen in de schoolgebouwen, om mensen van andere religies niet tegen het hoofd te stoten. Of denk aan de moeder al dezer discussies: het zwartepietendebat, dat intussen al bijna zelf tot de traditie van het Sinterklaasfeest behoort. Ondertussen lijk je het in discussies over gender niet gauw goed te kunnen doen, want zodra je je solidariteit met LHBT’ers hebt uitgesproken, blijk je alweer een gros aan alternatieven buiten te sluiten (intussen spreekt men van LHBTQQIP2SA).

Lange tijd heb ik me niet zoveel aangetrokken van dergelijke discussies. Ik kon me maar moeilijk inleven zowel in de felle en soms overspannen kritiek van de tegenstanders van zwarte piet, paaseitjes of weigerambtenaren, als in het krampachtig vasthouden aan de traditie. Bovendien bekroop me nog wel eens de gedachte: kom op mensen, kunnen we onze energie niet beter besteden aan écht urgente problemen zoals klimaatopwarming, of de allesvernietigende macht van het grootkapitaal?

Maar laten we eerlijk zijn: ik ben een blanke, hoogopgeleide, heteroseksuele man, en alleen dat al maakt het voor mij al heel eenvoudig om me ironisch te distantiëren van dergelijke discussies. Veel mensen hebben die luxe niet, en voor hen zijn het kwesties die direct raken aan wie ze zijn. Van die bevoorrechte positie werd ik me nog maar weer eens bewust tijdens de lezing van Claudia Caro Sullivan, docent aan de University of California. Zij vertelt over de gevolgen van de verharding van het politieke klimaat in de Verenigde Staten voor haar studenten, die in een voortdurende angst leven om gedeporteerd worden omdat ze niet over de juiste status beschikken. Ook zijzelf, zegt ze, is en blijft ondanks haar verblijfsstatus een ‘body of colour’, wat bijvoorbeeld betekent dat ze bij paspoortcontrole altijd extra gecontroleerd wordt. Het indrukwekkende verhaal van Sullivan maakt duidelijk dat de discussie over identiteit voor velen allerminst vrijblijvend is; dat het een kwestie is waar hun bestaanszekerheid van afhangt. En het maakt nog eens duidelijk hoe bepalend de taal is die in het publieke domein wordt gesproken over identiteit, of meer specifiek over de identiteit van bepaalde minderheidsgroepen. Sullivan, zelf Mexicaanse en getrouwd met een Amerikaans staatsburger, merkt in het leven van alledag, in de blikken van de mensen op straat, de invloed van Donald Trumps verkiezingsretoriek, die immigranten in het algemeen en Mexicanen in het bijzonder collectief als moordenaars en verkrachters, als ‘bad hombres’, wegzette. Identificeren wordt zo het eerste stadium voor een politiek van uitsluiting.

In het aangrijpende verhaal van Sullivan komt helder naar voren dat identificeren altijd een vorm van machtsuitoefening is, zeker als dat door een staat gebeurd. Technologie blijkt daarbij steeds vaker een belangrijke bondgenoot. Daags na de verkiezingsuitslag liet zij de foto’s van die studenten die geen status hadden daarom van de website van de universiteit halen. Dat we op internet onder voortdurend toezicht staan, daar kijkt eigenlijk al niemand meer van op, maar ook buiten de virtuele wereld spant zich een web om ons heen van identificatiemiddelen, van biometrische paspoorten tot met gezichtsherkenningssoftware uitgeruste surveillancecamera’s. Zach Blas, een kunstenaar die eerder die dag door Thijs Ebbe Fokkens in zijn lezing werd aangehaald, thematiseert het bondgenootschap van macht en technologie in zijn werk. Zo ontwerpt Blas zogenaamde ‘face cages’, die de lijnen waarmee biometrische software ons gezicht scannen tastbaar maken, als een zware en koude ijzeren kooi. De ‘face cages’ tonen tegelijk hoe daarmee het ware gezicht van de persoon aan het zicht onttrokken wordt.

In haar lezing feliciteert Claudia Caro Sullivan ‘ons’ Nederlanders met de verkiezingsuitslag, en zegt dat wij nu de ‘leaders of the free world’ zijn. Dat is heel aardig van haar, maar ondertussen hebben hier die politici gewonnen die de loftrompet zongen van onze Nederlandse cultuur. Doorgaans worden er bij die borstklopperij en zelffelicitatie niet alleen bepaalde groepen uitgesloten, maar ook nogal selectief geshopt uit de eigen geschiedenis: er wordt gesproken over zeeheld Michiel de Ruyter en de VOC, over de schilderkunst van Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan. Voor het gemak vergeet men de eeuwen van exploitatie en onderdrukking die ook bij de eigen geschiedenis horen. Daarop wijst Jennifer Tosh, die de Black Heritage Tour in de binnenstad van Amsterdam en andere steden ontwikkelde, om te wijzen op de verborgen stukken geschiedenis – de geschiedenis van haar voorouders – die ons in onze alledaagse omgeving omringen, maar waar we regelmatig blind en doof voor zijn. Tijdens haar verhaal moet ik denken aan een citaat van de filosoof Walter Benjamin: “Er is geen document van cultuur dat niet tegelijk een document van barbarij is.”

Chris Keulemans, die haar interviewt, heeft ooit deelgenomen aan de tour, en vertelt hoezeer hij onder de indruk was, maar ook hoe verschrikkelijk het is dat hij nu nooit meer onbevangen kan genieten van zijn stad Amsterdam. Toch is dat niet waar het Tosh om te doen was. Het gaat er, zo zegt ze, niet om een groep slachtoffers te creëren, en een andere groep te demoniseren, maar om het volledige verhaal vertellen. “I invite people to be comfortable in feeling uncomfortable.” Als je het wilt hebben over de Nederlandse cultuur, of de Nederlandse identiteit, dan hoort de geschiedenis van de gekleurde mensen die hier zeker sinds de 16e eeuw woonden ook bij. Zoals Tosh het verwoordt op haar website: een gezamenlijke toekomst scheppen kan alleen door de geschiedenis te delen.

In een afsluitend gesprek tussen Tosh, Kapwani Kiwanga, en designtheoreticus Rosa ter Velde wordt nog eens onderstreept hoe nauw identiteit samenhangt met macht en ideologie. Maar, aldus Kiwanga, ook met verbeelding, en juist als het daar om gaat kan de kunst een belangrijke rol spelen. Identiteit is immers eerst en vooral een verhaal dat we onszelf en elkaar vertellen, en dat opent tegelijk de mogelijkheid dat wij invloed kunnen uitoefenen op dat verhaal en hoe het verteld wordt.

Voorwaarts
Op mijn weg terug naar huis ben ik weer een stuk hoopvoller over de wereld dan toen ik ’s ochtends in de krant las over de verkiezingsuitslag. Van te voren had ik er eerlijk gezegd ietwat tegenop gezien om een dag lang over het thema identiteit te praten en na te denken. De focus op het eigen zelf is maar al te vaak een symptoom van wat ik ‘de grote vlucht inwaarts’ noem: het je afwenden van de boze buitenwereld, die we in toenemende mate zijn gaan beschouwen als iets gevaarlijks waarover we geen controle hebben, en jezelf terugtrekken in de veilige comfort zone van de eigen identiteit. Maar wat ik vandaag heb gezien en gehoord, in de vele lezingen, performances en gesprekken met studenten, stond daar mijlenver vandaan. Het reflecteren over identiteit – over de vraag wie ‘ik’ ben, wie ‘wij’ zijn – hoeft klaarblijkelijk niet noodzakelijkerwijs te verzanden in narcisme en navelstaarderij. Integendeel, juist door met identiteiten te experimenteren openen kunstenaars ons dikwijls de ogen voor de ander. Ze maken van identiteit een publieke zaak, door ons de ingebakken manier te tonen waarop we identificeren, en de wijze waarop we ons laten identificeren. Ze tonen de verborgen machtsmechanismen in de eigen identiteitsvorming en de vormen van identificatie door anderen of door de staat. Daar kan in de beste gevallen een emancipatoire kracht van uit gaan: het bewust worden van die macht is immers de eerste stap in de richting van verzet. Het doel van die emancipatie, van dat verzet, is de erkenning van verschillen, met het paradoxale resultaat dat identiteit er uiteindelijk niet meer toe doet.

Thijs Lijster is docent kunst- en cultuurfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Vorig jaar publiceerde hij de essaybundel De grote vlucht inwaarts. Essays over cultuur in een onoverzichtelijke wereld (Bezige Bij).

Dit artikel verscheen ook in de Mr. Motley: http://www.mistermotley.nl/art-everyday-life/tegen-de-hokjesgeest

(foto Thijs Lijster: Marc Schoeters)

 

 

Ben jij wel Nederlands genoeg?

Tussen Koningsdag en 4 & 5 mei ingeklemd – dagen waarop er veel te zeggen valt over de identiteit van Nederland – schrijft Lisa Bouyeure in Vrij Nederland een column over de vermeende (?) Nederlandse identiteit en de kramp waarin politici, verslaggevers en anderen regelmatig schieten als ze zich uitspreken over het onderwerp. Het sneue hameren op typisch Nederlandse dingen als… tja, wat eigenlijk? Nederlands spreken in het openbaar, Pasen vieren, het Wilhelmus zingen, het geharrewar over wie we nou wel/niet mogen herdenken tijdens Dodenherdenking… Ik vraag me af of ik wel Nederlands genoeg ben… jij?

Lees hier de column van Lisa Bouyeure.

 

Illustratie: Jip van den Toorn

What makes us human?

What makes us human? Een workshopverslag van Hélène Meyer en Inge Otte (docent en student opleiding Docent Theater Arnhem)

Op 16 maart gaf documentairemaker Anastasia Mikova de workshop ‘What makes us human?’.

Anastasia Mikova werkt nauw samen met de Franse fotograaf en filmer Yann Arthus-Bertand. Als eerste regieassistent was zij betrokken bij de film HUMAN (2015) en momenteel als coregisseur bij de film WOMAN (2019). Voor de documentaire HUMAN werden meer dan 2000 mensen over de hele wereld geïnterviewd op universele thema’s als oorlog, armoede, geweld, homofobie en liefde. Anastasia begeleidde het team van journalisten in de zeer persoonlijke gesprekken waarin mensen vaak voor het eerst hun verhaal vertellen. De documentaire is uniek in zijn genre: er is geen script, geen commentaar. De verhalen vertellen zichzelf en doen ons reflecteren op ons eigen leven. https://www.youtube.com/user/HUMANthemovie2015

foto: Jesse Berger

Hélène Meyer, docent bij de opleiding Docent Theater in Arnhem, was betrokken bij de workshop ‘What makes us human?’ en schreef voor ons het volgende verslag.

De workshop startte met de trailer van de film WOMAN, die in 2019 uit zal komen. HUMAN vormt de basis voor deze documentaire, die zich richt op de positie van vrouwen wereldwijd en wil een bijdrage leveren aan de empowerment van vrouwen.

Anastasia lichte het maakproces van de film HUMAN toe aan de hand van de reportage The making of en haar persoonlijke ervaringen tijdens de interviews. De reportage gaf een inkijk in het werk van de journalisten en de filmers, de interviews, de filmsets, de muziek en de editing van de film. Haar persoonlijke betrokkenheid maakte overtuigend duidelijk dat deze manier van werken een enorme dosis engagement vraagt en vereist: “You need to be there for 1000%; Yann even for 2000%. You can not imagine how he does it”.

Ieder mens wordt gedefinieerd door een of twee bepalende gebeurtenissen in ons leven. Deze specifieke momenten maken ons tot de persoon, die we zijn. Hier ligt de focus van de interviews waardoor elk gesprek een persoonlijke ontmoeting is. Het vraagt van de interviewer in het persoonlijk contact je te openen voor de gevoelens van de ander en in staat te zijn om deze emoties te delen. In een korte demo nam Anastasia een persoonlijk interview af met een van de studenten waardoor het proces nog tastbaarder werd.

foto: Jesse Berger

3e jaars student Docent Theater in Arnhem Inge Otte volgde de workshop en noteerde:

“Een vrouw met een enorme presence. Een vrouw die gewoonlijk zalen vult, kwam voor een bescheiden aantal studenten staan en begon te vertellen over haar project HUMAN. Een project waar zij en het hele team meer dan twee jaar aan hebben gewerkt. Een film die ons confronteert met de ander en ons terugbrengt naar onszelf. “What makes us human“ is de vraag die de film zich stelt, en de vraag die Anastasia drijft om verder te onderzoeken.

Anastasia vertelde in de workshop over de meer dan 2000 interviews die zij samen met een aantal andere journalisten voor de documentaire heeft gehouden. Verhalen over liefde, dood, oorlog, homofobie, geluk en het leven.

“Onze emoties maken ons menselijk. “Emoties zijn universeel“ zegt Anastasia in haar toelichting op de film. “Als je naar de verhalen van mensen luistert, is het niet belangrijk om dezelfde taal te spreken. Je weet wat iemand beweegt, wanneer je in zijn ogen kijkt. Je begrijpt dan wat iemand voelt en wilt vertellen.“

Anastasia sprak bevlogen en gepassioneerd over alle verhalen die zij heeft gehoord, over de mensen die zij heeft ontmoet, en over haar werk. De workshop duurde bijna de hele dag. Anastasia was vooral aan het woord, maar iedereen hing aan haar lippen. Vragen beantwoordde zij uitgebreid en diepgaand. Haar uitzonderlijke empathie en persoonlijke verbinding was sterk voelbaar. Wat de workshop mij vooral heeft geleerd, is dat de verbondenheid en de passie van de maker de ziel geven aan het product.”

30 studenten van ArtEZ en 4 studenten van het Institut für Theaterpädagogik in Lingen (D) volgden met interesse deze intensieve workshop tijdens Studium Generale. Op 17 maart 2017 werkte Anastasia met de 3e jaars studenten van de opleiding Docent Theater in Arnhem om feedback te geven op de kunsteducatieve projecten, die zij bij de film HUMAN ontwierpen met als doel deze verder te ontwikkelen en uit te voeren. Het kunsteducatieve project is opgezet vanuit de premisse, dat de ogen de spiegel van de ziel zijn en dat je via de ander bij jezelf kunt komen.

Faarjam gehackt door Iraanse hackers

Via ArtEZ-docent Clemens Horn kreeg ik het volgende bericht. Een verhaal dat verteld moet worden.

Afgelopen donderdag speelde Faarjam tijdens Lost in Transition, een heel mooi optreden. Na afloop vertelde hij dat zijn social media-accounts de afgelopen weken door Iraanse hackers doelgericht zijn gehackt. Dit is gebeurd met financiering van het regime in Teheran. Zijn Instagram-account is gehackt en verwijderd en de hackers zijn er ten dele in geslaagd zijn e-mailaccount te hacken.

Kunstenaars worden door de Iraanse overheid in de gaten gehouden, ook in het buitenland. Faarjam vertelde het met een vanzelfsprekendheid en gelatenheid dat je er stil van werd, zegt Clemens. Faarjam constateerde: ‘Het werk van de hacker is straks weg, maar mijn muziek blijft.’

‘Is dit om bang van te worden of juist om gemotiveerd te raken en je te realiseren welke kracht en macht toch in de handen van de kunst en de kunstenaar ligt?’, vragen wij ons met Clemens af. Wellicht allebei?

Ons volgende studium generale-programma gaat over revolutie. Laten we kunst maken als vorm van verzet!

Vitamine voor de geest en het hart

Hans Lemmerman, docent bij de opleiding Docent Theater in Arnhem, was aanwezig bij de workshop van theatermaakster Daria Bukvić tijdens Lost in Transition en schreef voor ons het volgende verslag.

Daria maakt in deze drie uur durende workshop inzichtelijk hoe ze gewerkt heeft aan de theater-hit van twee seizoenen geleden ‘Nobody Home’. Beeldend via de trailer van Nobody Home, talig door haar grondige vooronderzoek uiteen te zetten. Namelijk door diepte interviews met acteurs met asielzoekerservaringen en met hun ouders. Persoonlijke verhalen maar altijd door de zeef van huidige maatschappelijke problemen. Wat overblijft (persoonlijk én universeel) wordt door Daria’s regie flink van humor voorzien:  ‘Humor opent je ogen en je gedachten.’

Zij laaft zich liever aan Beyoncé dan aan Tsjechov. Laat een videoclip zien (Formation). Daria zet kort uiteen hoe de clip samenhangt met Beyoncé’s radicale statement ten aanzien van feminisme en de zwarte cultuur. Kunst waarin verzet klinkt via de verbeelding.
Met vijf vitale motto’s om door te gaan met het maken van kunst, injecteert Daria de 17 aanstaande kunstenaars/-docenten. Eén van die motto’s is: ‘Doe wat je zou doen als je niet bang was.’ Een ander motto: ‘Laat je tegenspreken, zoek mensen op die niet direct met je meehuilen.’

Daarna maakt ze ruimte om aan ieders individuele werk aandacht te besteden. Met liefde voor hetgeen gezongen/gepresenteerd wordt. Ze verstrekt suggesties hoe een song of een (aanzet tot) performance verdiept kan worden. Uit haar woorden blijkt de veelzijdigheid en de liefde voor het werken met mensen. Een mooie mix van nieuwsgierig zijn naar wat die studente grafisch beweegt én ambachtelijke tips. En dan niet tips die op het technische vlak slaan, eerder opmerkingen als ‘Ik raad je aan om haiku’s te gaan lezen om jouw lied uitzonderlijker te maken’. ‘Dwing jezelf om één dag in het huis van je demente oma te verblijven en een liedje te schrijven voor haar, gun jezelf het plezier in het maken daarvan.’

Onder de workshop zat de begeestering van iemand die van felle kleuren houdt (Kunst is gebaat bij felle kleuren), die het Hollandse Poldermodel schuwt. En die haar motto’s niet uit boekjes heeft maar persoonlijk doorleeft. Op deze Studium Generale Dag maakte ze volledig waar, bezielde ze dat wat het thema van de workshop was: De verbeelding van het engagement.

Hans Lemmerman

Onderricht

We hebben ook dit keer weer studenten, alumni en docenten van ArtEZ verzameld wiens werk raakt aan de thematiek van ons festival. Zij bloggen in aanloop naar het festival Lost in Transition. De laatste (maar niet de minste!) bijdrage is van Julius Thissen, alumnus ArtEZ Fine Art.

Het is 8:03. Ik sta in de hal van een mbo-school bij mijn huis om de hoek. Ik wacht in de hal waar de gifgroene en oranje panelen op de bruine bakstenen mij een melancholisch gevoel geven. Met een vriendelijke lach en een telefoon geklemd tussen haar linkeroor en schouder vertelt conciërge Yolanda mij waar de koffieautomaat te vinden is.

Het is 8:20. Jonge vrouwen van tussen de 18 en 22 staan in een kring click-sigaretten te roken op het plein. Op het uiteinde vormt zich een kring lipgloss die vervolgens op de lippen weer zorgvuldig bijgewerkt wordt. Studeren doen ze hier wel, vooral elkaar.

Het is 8:25. Ik word gewezen naar mijn lokaal, waar de lerares mij waarschuwt. “Dit is een gevaarlijke klas.” Ze heeft het over de leerlingen. Uit voorzorg verstop ik de scharen, mijn stiften leg ik klaar. Ik heb mij voorgenomen dat ik op dit soort dagen sneakers, spijkerbroek en een zwart T-shirt met opdruk draag. De bel klinkt. De leerkracht vraagt haar studentes de telefoons weg te stoppen. “Ook jij, Michelle!” “Get over it,” fluistert Michelle ondeugend en ze giechelt met haar buurvrouw. Langzaamaan wordt het rustig. Ik word vragend aangekeken door 27 uiterlijk identieke, gevaarlijke jongvolwassen vrouwen.

Ooit droeg ik mijn haren tot op mijn heupen en mijn wimpers tot aan mijn wenkbrauwen, mijn spijkerbroeken skinny, mijn T-shirts getailleerd.

De lerares stapt zenuwachtig naar voren en stelt mij en mijn collega die vandaag meekijkt, voor. “Julius gaat jullie vandaag voorlichting geven over homoseksualiteit en identiteit.” Ik kijk rond om de reacties te peilen. Niks.

Terug naar mijn 27 uiterlijk identieke gevaarlijke jongvolwassen studentes.
Na de introductie begin ik 4 letters op het bord te schrijven. “L – H – B – T” . Ik vraag of iemand weet waar de L voor staat. Verveeld, zonder een vinger op te steken, met haar hoofd in haar hand beantwoordt een meisje meteen mijn vraag, en de volgende drie voor de hand liggende vragen: “Lesbisch, homo, biseksueel en transgender.” Achterlijk zijn ze hier niet.

Ooit schoor ik mijn benen en oksels dagelijks en ving ik maandelijks mijn bloed op in een geparfumeerd verbandje met bloemmotief.

Het is 8:45. Na het raster op het bord strak te hebben stel ik mijn eerste vraag: “Deze termen zijn allemaal duidelijk maar eigenlijk ontbreekt er nog een term als we het over seksualiteit hebben, wie vult mij aan?” Drie stemmen klinken in koor “Hetero!” Wederom heel goed. Achter mij hoor ik een high five. Ik steek van wal. “Wie denkt er dat ik lesbisch ben?” 17 vingers gaan de lucht in. Ik noteer. “Wie denkt er dat ik homo ben?” 0 vingers. Ik noteer. “Wie denkt er dat ik biseksueel ben?” 7 vingers gaan de lucht in. Ik noteer. “Wie denkt er dat ik transgender ben?” 21 vingers gaan de lucht in. Ik noteer. “En tot slot, wie denkt er dat ik hetero ben?” 1 vinger verschijnt en haar klasgenoot reageert verbouwereerd, “Dat kan toch helemaal niet!” roept Michelle. Ik noteer. Mondig zijn ze hier. Gevaarlijk echter niet. De juf heeft gejokt.

“Heeft u kinderen?” vraagt een van de leerlingen aan mijn collega. “Nee, en jij?” antwoordt ze lachend. “Ja, twee,” antwoordt de studente scherp. Stilte. Dit had mijn partner niet aan zien komen, ik net zo min. De studente is naar schatting 17. Ontwapenend, zo zou ik het noemen. Ik keek het meisje aan en ik voelde respect voor haar. Ik keek rond en zag meerdere vurige blikken onze kant op gericht. Ze was niet de enige. Ze namen hun verantwoordelijkheid door hier te zijn. Je ziet niet alles vanaf de buitenkant.

Het is 8:55. Op het bord zien we een ingevuld raster met de speculaties van mijn 27 ongevaarlijke jongvolwassenen strijders. Ik licht mijn ‘hokjes’ toe. “21 van jullie denken dat ik transgender ben. Dit klopt. Ik ben geboren als vrouw en word man. 1 van jullie dacht dat ik hetero ben. Ook dit klopt want ik val op vrouwen.” Ik omcirkel de cijfers in mijn vakjes. Dat er maar geen misverstanden mogen ontstaan. Mijn vakjes. Mijn hokjes. Mijn territoria. Mijn termen. Mijn omschrijving. Nee. Maar voor het gemak houden we het vandaag hier bij. Het moet leuk en overzichtelijk blijven.

Ik vervolg mijn les. “We hebben het een beetje gehad over seksualiteit en genderidentiteit. Ik hoef jullie geloof ik niks meer te leren.” De klas stemt zelfverzekerd in. “Nu ben ik benieuwd of jullie ook de betekenis van het volgende woord kennen.” De klas schuift iets naar voren op de stoel, vingers in de aanslag. Het woord ‘cisgender’ verschijnt op het bord. De competitieve grijnzen maken plaats voor een collectieve open mond. “Niemand?” Er wordt nee geknikt. “Ok. Cisgender is een term die we gebruiken om mensen mee aan te duiden wiens genderidentiteit overeenkomt met hun biologische geslacht. Dus bijvoorbeeld: iemand die als vrouw geboren is en zich ook prettig voelt om vrouw te zijn et cetera.” Stilte. “Is dit duidelijk?” Rustig wordt er geknikt. “Dus, vingers, wie is er denkt ‘ie cisgender?” De studentes kijken elkaar geschrokken aan en langzaamaan verschijnen er 27 twijfelende vingers in het lokaal. Ik noteer.

Hoewel het misschien confronterend was, mocht het duidelijk zijn dat na deze ontdekking de afstand tussen mij en de klas verdween. Niet langer was ik de exoot, niet langer de enige die te maken had met een etiket omtrent zijn identiteit. Niet langer stond ik kwetsbaar op het podium en de klas onaantastbaar in het publiek. We hadden allemaal even mogen ervaren hoe het is om een hokje te zijn.

Het is 9:25 en de bel klinkt, de studentes kijken vriendelijk mijn kant op, eentje steekt haar vinger in de lucht. Ik knik. “Ik wil u even bedanken, meneer. Echt cool wat u doet, ik heb veel geleerd, ook over mijzelf.” Ik lach en bedank op mijn beurt de klas voor hun aandacht. Vrolijk verlaten de studentes het lokaal. De jokkende juf staat verbijsterd aan mijn zijde.

Sommige meisjes zijn al jong moeder en sommige mannen worden nog wel eens ongesteld, get over it.

De illustratie is gemaakt door Lot Veelenturf.

Tijdens Lost in Transition is Julius te gast in het lezingenprogramma en toont een fragment uit zijn film GRIDIRON.

studiojuliusthissen.com

 

Ik is een start-up

In een artikel van Koen Haegens in De Groene Amsterdammer wordt de moderne mens als een onderneming beschreven. Wij denken voortdurend vanuit rendement. En ja, de zelfhulpboeken waarbij we worden gestimuleerd om effectiever met onze tijd om te gaan, en om jezelf en je talenten te profileren zodat je beter in de markt ligt, zijn niet van de lucht. Zelfs in ons taalgebruik is het marktdenken compleet verweven. Zo investeren we in vriendschappen. Zijn wij allemaal verworden tot een ik-BV, zoals Koen Haegens schetst? Zijn we allemaal verworden tot CEO van ons eigen zijn? Lees hier het artikel.

Phenomena of touch

We hebben ook dit keer weer studenten, alumni en docenten van ArtEZ verzameld wiens werk raakt aan de thematiek van ons festival. Zij bloggen in aanloop naar het festival Lost in Transition. Dit keer is de beurt aan Laura Saumweber, student aan de Dansacademie.

The in-between: Searching, looking for a balance, creating a centre together, stability meets instability, sensitivity and constant transitions. Where am I? Where is my partner?  Where is the group and what are my possibilities? Who am I in this sudden moment of motion?

Phenomena of touch – physical trust through Contact Improvisation
“The supportive and trusting attitude of CI encourages acknowledging our impulses and tendencies, conforming who we are in the very moment of becoming, a simple act with profound consequences“ (Cherly Pallant). In Contact Improvisation  the human body acts and reacts quite intuitively and on a high level of listening. Internally you are constantly listening and sensing while the body immediately translates the information into movement. It is a dance form in which two or more bodies explore together the kinaesthetic possibilities which occur through physical contact.

Two bodies in motion, one dialogue. A first touch. They are melting into each other, merging, getting one body. They are flying. They let each other fly. There is no gap, no interruption. Complete awareness, total sensitivity. Fluidity, like liquid- filling and surrounding the human body. Connecting the two of them to one entity. In a way the moving bodies are constantly looking for shared identity in order to create movement. It’s a constant giving and receiving of touch and weight, measuring decisions and listening to each other in order to maintain the point of ’tact‘. Goethe would probably say „Hier bin ich Mensch, hier darf ich’s sein!“ (transl. “Here am I a man, here may I be one“, J.W. von Goethe, rime 940/ Faust). It’s the acceptance of another body, of each other’s movement and spontaneous decisions. Contact Improvisation is a form where the phenomenon of the in between constantly happens on a physical aspect, literally in contact with another body.

The starting point of my final research arises from the fascination of moving bodies caught on the endless search of new pathways and possibilities with one another. At the same the matter of trust plays an important role. The question is how can I provoke, use and stretch out this trusting- relationship among dancers as a choreographer?

In order to identify a way to increase the level of physical trust among the dancers, I investigate practically in the studio. Within several sessions I explore this topic with a group of ten dancers and three musicians to create a final artistic product. 4th and 5th April one of the ArtEZ theatres will open the doors to show the results of the sessions, entirely under Goethe’s slogan: Here I am human, here I can be- here I can dance, here I can trust.

Fotografie: Danielle Corbijn

Souvenirs from Paradise

We hebben ook dit keer weer studenten, alumni en docenten van ArtEZ verzameld wiens werk raakt aan de thematiek van ons festival. Zij bloggen in aanloop naar het festival Lost in Transition. Dit keer is de beurt aan Gerben Vaillant, student Docent Theater.

Voor het eerst heb ik een virtual reality-bril gedragen. Ik kon om me heen kijken en er waren mensen die pixelig, maar 3D voorbijliepen. Ik stelde me verwonderd voor dat, als de beeldkwaliteit eenmaal zou zijn verbeterd, ik er eentje thuis zou hebben. Om de boel wat mooier te maken dan dat het is. Al het zichtbare is precies op mijn smaak afgestemd en elke avond bekijk ik met mijn perfecte geliefde een eeuwige zonsondergang in kleuren die nog beter zijn dan ‘echt’. Ik zou erbij in slaap vallen, hem vergeten af te zetten en er mee wakker worden, maar vergeten dat ik hem ophad voor ik slapen ging. Zou ik dan moeten wennen aan de niet-virtuele wereld, zoals dat ik nu moet wennen aan de VR-bril?

Het lijkt eenvoudiger te worden om een omgeving te maken die tegemoetkomt aan mijn verlangens. In de kunsten valt het woord maakbaarheid vaak, regelmatig in de negatieve zin van het woord. Het is volgens mij te vroeg en niet aan mij daar een oordeel over te geven, maar het vraagt wel om een bevraging van de positie van de mens ten opzichte van de zelfgevormde wereld. Ik denk aan de romantische dichter Rilke, hij bezong in zijn gedichten een roos der rozen die hij enkel kende uit zijn dromen. In deze intense liefde schuilde tegelijk het intense verdriet: het besef dat zijn grote liefde nooit echt zou kunnen bestaan. Is dit niet een prachtig en tragisch verlangen?

Stel je voor hoe Rilke in een nabije toekomst zijn perfecte roos droomgetrouw ge-3D-print in handen zou kunnen krijgen. Wat dan? Zou het bevredigend zijn en voor hoe lang? Dit ingeloste verlangen wekt bij mij een huiveringwekkende error op. In een voorstelling die ik mag maken bij Het Zuidelijk Toneel benader ik met zeven jonge performers het zelfgemaakte paradijs en onderzoeken we de stasis van het ingeloste verlangen. Een beeldende performance, met zeven jongvolwassenen als metafoor voor Rilke met zijn roos in zijn handen en een lege blik in zijn ogen.

Wie ben ik?

Gedurende ons leven, van blozende baby tot bejaarde grijsaard, veranderen we in hoge mate op alle denkbare manieren. Toch beschouwen we onszelf als dezelfde persoon, als een relatief stabiele identiteit. Maar is dat wel terecht? Wat maakt eigenlijk dat jij jij bent? Wat vormt je identiteit? Is dat je lichaam, je herinneringen, de overtuigingen en waarden die je koestert?

The School of Life, de filosofieschool opgericht door Alain de Botton, maakte dit leuke filmpje over persoonlijke identiteit vanuit een filosofisch oogpunt. Klik hier voor het filmpje.